ECLI:NL:RBROT:2026:3380

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
FT RK 25/2112
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 284 FaillissementswetArt. 295 FaillissementswetArt. 296 FaillissementswetArt. 310 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met toepassing hardheidsclausule

De heer verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank Rotterdam heeft dit verzoek behandeld en vastgesteld dat een buitengerechtelijke schuldregeling niet haalbaar is vanwege onduidelijkheid over de restanthypotheek en het eigendom van de woning.

Hoewel een vordering van het CJIB voor verkeersboetes niet te goeder trouw is ontstaan, heeft de rechtbank op basis van de hardheidsclausule besloten de heer verzoekster toch toe te laten tot de Wsnp. Dit mede omdat hij zijn financiële situatie onder controle heeft gekregen, zich onder beschermingsbewind heeft gesteld en geen nieuwe verkeersboetes kan veroorzaken.

De rechtbank stelt de looptijd van de regeling vast op 18 maanden, ingaand op 16 februari 2026, zonder eerdere ingangsdatum. Tijdens de Wsnp gelden diverse verplichtingen, waaronder het afstaan van bezittingen aan de bewindvoerder en het naleven van inspanningsverplichtingen. De rechtbank benoemt een bewindvoerder en rechter-commissaris voor toezicht en beheer.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en biedt de mogelijkheid tot hoger beroep binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de Wsnp wordt toegewezen voor 18 maanden met toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 16 februari 2026
op het verzoek van:
[verzoekster],
wonende te [adres 1] ,
[postcode] te [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
De heer [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 9 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster] ;
- [persoon A] , werkzaam bij Geldplein, schuldhulpverlener;
- B. Orduseven, beschermingsbewindvoerder.
1.3.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting op 5 januari 2026 een verweerschrift
ontvangen van Hafkamp gerechtsdeurwaarders namens Stichting Havensteder.
1.4.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting op 6 februari 2026 een
verweerschrift ontvangen van mr. T.J.W. Noordegraaf-van Dijk namens mevrouw
[persoon B] .
1.5.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet de heer [verzoekster] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens de heer [verzoekster] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de heer [verzoekster] voor de helft eigenaar is van de woning, staande en gelegen te Rotterdam aan de [adres 2] . Het is aan schuldhulpverlening niet bekend hoe hoog de restanthypotheekschuld is, zodat niet duidelijk is of er bij verkoop sprake is van een restschuld. Daarnaast is niet bekend of bij overdracht c.q. verkoop van het eigendom van de heer [verzoekster] sprake is van overwaarde. Deze omstandigheden maken het voor schuldhulpverlening onmogelijk om een aanbod aan de schuldeisers te doen. Ter zitting heeft de heer [verzoekster] verklaart dat hij al vier jaar probeert om zijn onverdeelde helft over te dragen aan zijn ex-partner, hetgeen tot op heden niet is gelukt.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare tijd tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. De heer [verzoekster] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De toelating
2.4.
De heer [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering aan het CJIB met betrekking tot verkeersboetes voor een bedrag van € 9.291,--, die binnen de drie-jaarstermijn valt, niet te goeder trouw is ontstaan. Deze vordering is naar haar aard niet te goeder trouw en staat in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
2.6.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om de heer [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat de heer [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schuld, onder controle heeft gekregen. De heer [verzoekster] heeft geen auto’s meer op zijn naam staan, waardoor het ontstaan van verkeersboetes niet in de rede ligt. Bovendien heeft de heer [verzoekster] zich met ingang van 19 juli 2025 vrijwillig onder beschermingsbewind laten stellen. De beschermings-bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat de financiële situatie van de heer [verzoekster] stabiel is.
2.7.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat de heer [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. Een punt van aandacht is dat de heer [verzoekster] voor de helft eigenaar is van de woning, staande en gelegen te Rotterdam aan de [adres 2] . Dit eigendom dient gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling te worden afgewikkeld.
2.8.
De heer [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
2.9.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
2.10.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) vast op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.11.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.12.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.13.
De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoekster] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Niet alle onderliggende stukken van de vtlb-berekening zijn overgelegd, zodat deze niet gecontroleerd kan worden. De heer [verzoekster] ontvangt een WIA-uitkering. Het toekenningsbesluit van de WIA-uitkering ontbreekt, zodat de rechtbank niet kan controleren voor welk percentage de heer [verzoekster] arbeidsongeschikt is en of hij aan de inspanningsverplichting heeft voldaan. Bovendien heeft de heer [verzoekster] een rechtstreeks verzoek tot toepassing van de WSNP ingediend zonder dat er in het minnelijk traject een aanbod is gedaan aan de schuldeisers. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
2.14.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel
van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat
alle bezittingen die de heer [verzoekster] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing
van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw Pro). De heer [verzoekster] heeft de
verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te
staan (artikel 296 Fw Pro). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen
onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-
commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoekster] .
3.6.
Als de heer [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] -1984 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] ,
[postcode] [woonplaats] ,
aldaar voorheen handelend onder de naam [bedrijf X] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout,
en tot bewindvoerder mr. W.P. Groenendijk,
gevestigd te postbus 324,
3330 AH te Zwijndrecht,
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 16 februari 2026 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op 16 augustus 2027;
  • draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met
C. van der Velde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026. [1]