Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3384

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11821440 CV EXPL 25-16747
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand toegewezen, incassokosten en rente afgewezen wegens oneerlijke bedingen

De huurder huurt sinds 14 april 2014 een woning van Stichting Woonplus en heeft een huurachterstand opgebouwd van €1.072,91 tot en met februari 2026. Woonplus vordert betaling van deze achterstand, rente, incassokosten en proceskosten. De huurder betwist de hoogte van de vordering, maar kan dit niet onderbouwen met bewijs.

De kantonrechter stelt vast dat de specificatie van Woonplus correct is en veroordeelt de huurder tot betaling van de huurachterstand en de proceskosten van €846,14. De vordering van rente en incassokosten wordt afgewezen omdat de bepalingen hierover in de huurovereenkomst en algemene voorwaarden als oneerlijk worden beoordeeld. De incassokostenbepaling wijkt nadelig af van de wettelijke regeling en het boetebeding legt een onrechtmatige boete op bij te late betaling.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat Woonplus direct kan incasseren. De huurder is geadviseerd het vonnis met zijn toekomstige bewindvoerder te bespreken om tot een regeling te komen.

Uitkomst: Huurder veroordeeld tot betaling van €1.072,91 huurachterstand en €846,14 proceskosten, rente en incassokosten afgewezen wegens oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11821440 CV EXPL 25-16747
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: [persoon A] ,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Woonplus’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 29 juli 2025, met bijlagen;
  • de akte vermindering van eis van Woonplus;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord;
  • de akte vermeerdering van eis van Woonplus, met bijlage.
1.2.
Op 17 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de heer [persoon B] namens de gemachtigde van Woonplus aanwezig. Ook [gedaagde] is verschenen.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 14 april 2014 een woning van Woonplus aan het adres [adres] in [woonplaats] . De huur is nu € 657,72 per maand. Woonplus stelt dat sprake is van een huurachterstand, die tot en met februari 2026 € 1.072,91 bedraagt. Woonplus eist dat [gedaagde] dit bedrag aan haar betaalt. Hiernaast eist Woonplus rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering van Woonplus. De kantonrechter wijst het bedrag aan huurachterstand en de proceskosten toe, maar wijst de rente en buitengerechtelijke kosten af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet de huurachterstand van € 1.072,91 betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om de huurachterstand van € 1.072,91 aan Woonplus te betalen. Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat dit de omvang van de huurachterstand is tot en met februari 2026. Woonplus heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een specificatie overgelegd ter onderbouwing van de hoogte van de huurachterstand. Daarin zijn de verschuldigde maandelijkse huurtermijnen, de ontvangen huurbetalingen en de (tussentijdse) huurachterstanden vermeld. Hieruit volgt dat de huurachterstand tot en met februari 2026 € 1.072,91 bedraagt. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat de huurachterstand niet klopt, maar hij heeft dat niet onderbouwd met betaalbewijzen, waaruit zou volgen dat hij meer heeft betaald dan in de specificatie van Woonplus staat. Daarom gaat de kantonrechter uit van de juistheid van die specificatie. Weliswaar staat in de akte van Woonplus dat zij een bedrag van € 1.072,
19vordert, maar gelet op de bijgesloten specificatie (waarin met cijfers onderbouwd staat dat tot en met februari 2026 sprake is van een achterstand van € 1.072,
91) gaat de kantonrechter ervan uit dat dit een verschrijving betreft en wordt dus het bedrag van € 1.072,91 toegewezen.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten en rente te betalen
2.3.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In de huurovereenkomst en de algemene huurvoorwaarden van Woonplus staan hierover namelijk oneerlijke bepalingen.
2.4.
In artikel 5 van Pro de huurovereenkomst is het volgende incassokostenbeding opgenomen:

Artikel 5
De ter uitvoering van deze overeenkomst gemaakte of te maken kosten, gerechtelijk en buitengerechtelijke kosten die verhuurder maakt ingeval van niet nakoming door de huurder van enige bepaling van deze overeenkomst zijn voor rekening van huurder, behoudens de ingevolge een rechterlijke beslissing door verhuurder eventueel te betalen proceskosten. De buitengerechtelijke kosten worden bij deze bepaald op 15% van het in te vorderen bedrag. Indien de huurder bij rechterlijke beslissing in het gelijk wordt gesteld, worden hem geen buitengerechtelijke kosten in rekening gebracht.”
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat deze bepaling oneerlijk is. De bepaling wijkt namelijk in het nadeel van [gedaagde] af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro) of wekt die indruk. Een bepaling die de verhuurder recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden. De bepaling mag de verhuurder geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd of als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. De bepaling moet ook niet de indruk wekken dat de verhuurder eerder dan op grond van de wet recht krijgt op een vergoeding. Als er iets staat over het moment waarop de kosten verschuldigd worden, dan moet uit de bepaling dus blijken dat de consument die vergoeding pas verschuldigd wordt nadat hij nog een kans heeft gekregen om binnen veertien dagen alsnog te betalen. Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan. De bepaling is daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen.
2.6.
In artikel 13 lid 3 van Pro de algemene huurvoorwaarden is het volgende boetebeding opgenomen:

Artikel 13
3. Indien huurder enige bepaling uit deze Algemene Voorwaarden overtreedt kan huurder verplicht worden tot het betalen van een onmiddellijk opeisbare boete van € 50,- (niveau 2003, geïndexeerd volgens de CBS consumentenprijsindex, alle Huishoudens, 2000 = 100) per kalenderdag ten behoeve van verhuurder, onverminderd zijn verplichting om alsnog overeenkomstig deze Algemene Voorwaarden te handelen en onverminderd verhuurders overige rechten op schadevergoeding.”
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat deze bepaling oneerlijk is, omdat daarin staat dat [gedaagde] een boete moet betalen als hij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de afgesproken prijs. Op grond van de wet zou [gedaagde] als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Woonplus wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk. Daarom kan Woonplus geen beroep doen op deze bepaling en kan zij ook geen aanspraak maken op de rente uit de wet.
Er zijn verder geen oneerlijke bepalingen
2.8.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonplus moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 340,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal € 846,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonplus dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Bewindvoerder
2.11.
[gedaagde] heeft tijdens de zitting laten weten dat hij van plan is om op korte termijn (opnieuw) bewindvoering aan te vragen. De kantonrechter geeft [gedaagde] in overweging dit vonnis zo spoedig mogelijk met zijn (toekomstige) bewindvoerder te bespreken zodat deze kan proberen met Woonplus een regeling te treffen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonplus te betalen € 1.072,91;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonplus worden begroot op € 846,14;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
67789