ECLI:NL:RBROT:2026:3387

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2601953:R-RK en NL:TZ:2601954:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning wegens schuldsanering

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 10 september 2025. Verzoekster kampt met financiële problemen door terugval in inkomsten en een problematische relatie, maar ontvangt een Ziektewetuitkering en toeslagen die voldoende zijn om de huur te betalen.

De verweerster stelt dat de huur sinds 2024 niet is betaald en dat verzoekster niet op afspraken is verschenen. De rechtbank beoordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan, mede door het beschermingsbewind en de reeds toegekende gift voor de huur van februari 2026. Verzoekster is aangemeld voor schuldhulpverlening. Daarom weegt het belang van verzoekster zwaarder en wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van het moratorium en de ontruiming wordt opgeschort.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schorst de ontruiming van de huurwoning onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraak van 26 februari 2026
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 28 januari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 28 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 februari 2026.
Ter zitting van 5 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw mr. M. Raaijmakers, advocaat van verzoekster;
  • mevrouw [persoon A] en [persoon B] , beiden werkzaam bij Stichting Maasdelta Groep (hierna: verweerster).
Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank een vtlb-berekening en een budgetplan van verzoekster ontvangen. Op 12 februari 2026 is door de rechtbank een e-mail met nadere stukken ontvangen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
De schulden van verzoekster zijn ontstaan door terugval in inkomsten en de problematische relatie tussen haar en haar partner. De partner van verzoekster draagt niet bij in de kosten. Verzoekster ontvangt een Ziektewetuitkering, huurtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag. Dit inkomen van verzoekster is voldoende om de verschuldigde huur van
€ 759,00 per maand te voldoen. Dit blijkt ook uit het door verzoekster overgelegde budgetplan. Het beschermingsbewind is onlangs uitgesproken en Stabilum is benoemd tot beschermingsbewindvoerder. De beschermingsbewindvoerder heeft een fonds aangeschreven voor de betaling van de huur voor de maand februari 2026. De huur voor de maand maart 2026 zal door de beschermingsbewindvoerder voldaan worden. Verzoekster zal bij de gemeente worden aangemeld voor schuldhulpverlening.

3.Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard dat de huur sinds 2024 niet wordt betaald. Zij hebben verzoekster meerdere keren uitgenodigd voor een gesprek, maar verzoekster is telkens niet verschenen. Ook bij de gemeente is verzoekster niet op de afspraak verschenen. Verweerster was niet op de hoogte van de persoonlijke situatie van verzoekster. Verweerster probeert altijd te helpen, maar soms houdt het voor haar ook op. Verweerster wil als voorwaarde dat de lopende huur wordt voldaan.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 13 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 10 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt een Ziektewetuitkering aangevuld met huurtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag. Dit inkomen is voldoende om de verschuldigde huur te voldoen. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat beschermingsbewind is uitgesproken. Hiermee is gewaarborgd dat de lopende huur in de toekomst voldaan zal worden. Voor de huur van februari 2026 is door de beschermingsbewindvoerder een aanvraag gedaan voor een gift. Uit een brief van SUN Waterweg van 10 februari 2026 blijkt dat de aanvraag is toegekend en dat er een bedrag van € 759,00 is overgemaakt aan verweerster. Ter zitting is toegelicht dat de huur voor de maand maart 2026 door de beschermingsbewindvoerder voldaan zal worden. De verwachting is dat voor 6 maart 2026 met terugwerkende kracht een Ziektewetuitkering wordt uitbetaald. Na de zitting heeft verzoekster stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij zich op 9 februari 2026 heeft aangemeld voor schuldhulpverlening. Er zal op korte termijn dus ook gewerkt worden aan een oplossing voor de schulden van verzoekster. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 10 september 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
28 januari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig – uiterlijk op de zesde dag van de maand – worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
De griffier is buiten staat om
dit vonnis mede te ondertekenen