ECLI:NL:RBROT:2026:3388
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking urgentieverklaring woningzoekende
Verzoekster had sinds oktober 2023 een urgentieverklaring op grond van ernstige en chronische medische problematiek. Het college trok deze verklaring in nadat verzoekster op 4 juli 2025 was uitgeschreven als woningzoekende wegens het niet tijdig verlengen van haar inschrijving. Verzoekster stelde bezwaar en beroep in tegen deze besluiten en vroeg om een voorlopige voorziening om met voorrang op woningen te kunnen reageren.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 25 maart 2026 en wees het af. Er was geen belangrijke wijziging in de feiten sinds de eerdere afwijzing van een voorlopige voorziening op 31 oktober 2025. Verzoekster stond sinds 21 november 2025 weer ingeschreven, maar er was geen bewijs dat zij op woningen reageerde. De rechter benadrukte dat een voorlopige voorziening tijdens bezwaar en beroep in beginsel geldt totdat op het bezwaar of beroep is beslist, tenzij er ernstige onvolkomenheden of belangrijke wijzigingen zijn.
De rechter wees erop dat verzoekster een nieuwe aanvraag voor een urgentieverklaring kan indienen en dat de geldende verordening hieraan geen belemmering vormt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep of verzet toe.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de urgentieverklaring wordt afgewezen.