Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3393

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
11631992 CV EXPL 25-8595
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 242 RvArt. 233 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering leaseachterstand na total loss auto bij financial lease

Eiseres en gedaagde sloten op 19 december 2023 een financial leaseovereenkomst voor een Mercedes Benz A-klasse. Tijdens de looptijd raakte de auto total loss door een aanrijding, waarna gedaagde stopte met betalen van de leasetermijnen. Eiseres vorderde betaling van € 18.474,06 aan resterende leasetermijnen en een deel van de huurkoopsom, vermeerderd met vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten.

Gedaagde betwistte de hoogte van de vordering en stelde dat hij een hogere aanbetaling had gedaan dan door eiseres was verwerkt. De rechtbank stelde vast dat de overeengekomen aanbetaling € 7.950,00 bedroeg, terwijl gedaagde € 8.766,55 had betaald. Dit surplus werd in mindering gebracht op de vordering, waardoor een bedrag van € 17.657,51 resteerde.

De rechtbank kende de vordering toe, inclusief incassokosten van € 951,58, contractuele rente van 1,5% per maand en proceskosten van € 2.528,78. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eiseres direct betaling kan afdwingen ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 18.609,09 met rente, incassokosten en proceskosten na total loss van leaseauto.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11631992 CV EXPL 25-8595
datum uitspraak: 30 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] (gemeente [gemeente] ),
eiseres,
gemachtigde: mr. R.G.J. Geurts,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam [bedrijf X] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 19 maart 2025, met producties 1 t/m 5;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord, met bijlagen;
  • de repliek, met productie 6;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord;
  • de akte van [eiseres] , met producties 8 en 9;
  • de rolbeslissing van 28 november 2025;
  • de aantekeningen van de mondelinge reactie met bijlagen.
1.2.
Op 21 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren de gemachtigde van [eiseres] en [gedaagde] aanwezig.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
Op 19 december 2023 hebben [eiseres] en [gedaagde] een financial lease (huurkoop) overeenkomst gesloten voor een auto, te weten een Mercedes Benz, type A-klasse 220 met kenteken [kentekennummer] . Tijdens de looptijd van dit contract is het voertuig betrokken geraakt bij een aanrijding waarbij de auto total loss is verklaard. De auto is vervolgens opgekocht. Na de aanrijding (vanaf maart 2025) stopte [gedaagde] met het betalen van de leasetermijnen waarna de leaseovereenkomst is ontbonden. [eiseres] eist van [gedaagde] een bedrag van € 18.474,06 (aan resterende leasetermijnen en een deel van de huurkoopsom) vermeerderd met een vertragingsrente van 1,5% per maand en de buitengerechtelijke kosten. Ook eist [eiseres] van [gedaagde] de proceskosten met de wettelijke rente.
2.2.
[gedaagde] betwist de hoogte van de eis. [gedaagde] stelt namelijk een groter deel te hebben betaald aan [eiseres] dan dat volgens hem is verrekend
2.3.
[eiseres] stelt bij akte van 30 oktober 2025 dat de prijs van de auto vermeerderd met de leasetermijnen in totaal € 35.650,00 bedraagt. [gedaagde] betwist deze totaalsom niet. [eiseres] heeft bij voornoemde akte ook een debiteurenkaart in het geding gebracht waaruit blijkt dat [gedaagde] 13 leasetermijnen van € 590,00 (dus een totaal van € 7.670,00) heeft betaald. [gedaagde] heeft op de zitting dit bedrag bevestigd.
Partijen brengen beiden dezelfde factuur in het geding van de opkoper van de auto waaruit blijkt dat een bedrag van € 9.505,94 exclusief btw is betaald aan [eiseres] in het kader van de huurkoopovereenkomst. Volgens [eiseres] komt de btw die door de opkoper is betaald (een bedrag van € 1.889,06) niet in aanmerking voor verrekening met het openstaande bedrag. [gedaagde] betwist dit niet.
2.4.
Volgens [eiseres] resteert na aftrek van voornoemde bedragen dan een bedrag van (€ 35.650,00 - € 7.670,00 - € 9.505,94 =) € 18.474,06 dat [gedaagde] nog moet betalen. Dit wordt door [gedaagde] gemotiveerd betwist. [gedaagde] stelt, naast de 13 leasetermijnen, ook een aanbetaling van € 8.766,55 te hebben gedaan op 19 december 2023 en onderbouwt dit met een bankafschrift. Volgens [gedaagde] dient deze aanbetaling in mindering gebracht te worden op de eis van [eiseres] .
De aanbetaling is al verrekend en [gedaagde] moet € 17.657,51 betalen
2.5.
De kantonrechter stelt op grond van de artikelen 1 tot en met 4 uit de leaseovereenkomst vast dat bij de hoofdsom van € 35.650,00, zoals genoemd onder 2.3, rekening is gehouden met een overeengekomen aanbetaling van € 7.950,00. Op 19 december 2023 heeft [gedaagde] ook een aanbetaling gedaan. Hij heeft feitelijk een hoger bedrag aanbetaald dan overeengekomen (namelijk een bedrag van € 8.766,55), maar de kantonrechter gaat ervan uit dat partijen dezelfde aanbetaling bedoelen, omdat niet is gebleken dat meerdere aanbetalingen zijn afgesproken. Het verschil tussen de feitelijke betaling die [gedaagde] verricht heeft en het overeengekomen bedrag dient naar het oordeel van de kantonrechter in mindering te worden gebracht op de vordering:
Feitelijk aanbetaald door [gedaagde] : € 8.766,55
Overeengekomen bedrag aanbetaling: € 7.950,00-
Te verrekenen surplus: € 816,55
2.6.
Nu het surplus van € 816,55 in mindering moet worden gebracht op het gevorderde bedrag van € 18.474,06 resteert een bedrag van € 17.657,51 dat [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen. Dit bedrag wordt toegewezen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 951,58 betalen
2.7.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 951,58 toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde incassokosten te matigen tot het bedrag waarop [eiseres] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv Pro). [eiseres] heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze kosten te maken.
[gedaagde] moet de contractuele rente betalen
2.8.
De contractuele rente van 1,5% per maand wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Partijen hebben deze rente afgesproken. De rente wordt toegewezen over € 17.657,51 vanaf de vervaldata van de diverse verschuldigde bedragen. [eiseres] heeft namelijk voor dit bedrag genoeg gesteld waaruit volgt deze rente moet worden betaald en [gedaagde] heeft dat niet betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 120,78 aan dagvaardingskosten, € 1.461,00 aan griffierecht, € 812,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 406,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.528,78. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 18.609,09 met de overeengekomen vertragingsrente van 1,5% per maand vanaf de vervaldata van de diverse verschuldigde bedragen tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 2.528,78 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
62574