Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3397

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/10/713037 / JE RK 26-39
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding verzoek verdeling zorg- en opvoedingstaken na incident met vader

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west verzocht de kinderrechter om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen voor de duur van zes maanden, waarbij de vader begeleid contact zou hebben met zijn kinderen. Na een ernstig incident waarbij de vader agressief en bedreigend gedrag vertoonde in het bijzijn van de kinderen, werd de omgang stopgezet. De GI verzocht de behandeling aan te houden om te bezien of omgang op termijn weer mogelijk is.

De moeder steunde aanvankelijk de aanhouding, maar trok dit terug vanwege de houding van de vader tijdens de zitting, die niet wilde meewerken aan hulpverlening. De vader ontkende schadelijk gedrag en weigerde hulpverlening en veiligheidsafspraken. De grootouders van vaderszijde gaven aan dat de vader betrokken is bij de kinderen en hoopten op een nieuwe kans.

De kinderrechter oordeelde dat het gedrag van de vader onacceptabel is en dat veiligheid en welzijn van de kinderen en moeder voorop staan. Daarom wordt de beslissing over de zorg- en opvoedingstaken aangehouden tot 1 augustus 2026, met een rapportageverplichting voor de GI. Het zelfstandig verzoek van de moeder tot vervanging van de GI werd ingetrokken en afgewezen.

Uitkomst: De beslissing over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden tot 1 augustus 2026 vanwege een ernstig incident met de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/713037 / JE RK 26-39
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.A. van Lange, kantoorhoudende te Dordrecht,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[grootvader vaderszijde] en [grootmoeder vaderszijde],
hierna te noemen: de grootouders van vaderszijde (vz).

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 19 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het e-mailbericht van de vader met bijlage van 2 maart 2026;
  • de briefrapportage van de GI van 3 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 4 maart 2026;
  • het e-mailbericht van mr. P.A. van Lange met de verslagen van de speltherapeut van 5 maart 2026;
  • het e-mailbericht van de vader met bijlage van 5 maart 2026.
1.2.
Op 9 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk, H. Abdulla, tolk in de taal Engels;
- een drietal vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft geen mening gegeven en [voornaam minderjarige 2] heeft met behulp van zijn speltherapeut de kinderrechter een brief gestuurd.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 27 januari 2027.

3.De (aangehouden) verzoeken

Het (aangehouden) verzoek van de GI van 9 januari 2026
3.1.
De GI verzoekt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen voor de duur van zes maanden, waarin de vader de ene week begeleid contact met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] heeft voor de duur van twee uur en de vader de andere week op maandag de hele dag en nacht aansluit bij de grootouders van vaderszijde als de kinderen daar aanwezig zijn. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Bij briefrapportage van 3 maart 2026 heeft de GI te kennen gegeven de omgang momenteel niet te willen uitbreiden, omdat na een incident met vader de omgang is stopgezet. De GI verzoekt om de behandeling van het verzoek aan te houden voor zes maanden.
Het (aangehouden) zelfstandig verzoek van de moeder
3.3.
Namens de moeder is verzocht de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west te vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
3.4.
Namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling het verzoek ten aanzien van de vervanging van de gecertificeerde instelling ingetrokken.

4.De standpunten

4.1.
De GI brengt ter zitting het volgende naar voren. Na de vorige zitting is er een heftig incident geweest tijdens het omgangsmoment van de vader met de kinderen, wat als ernstig grensoverschrijdend moet worden gekwalificeerd. De jeugdbeschermer is in aanwezigheid van de kinderen bedreigd door de vader, er is geschreeuwd en de beveiliging moest er aan te pas komen. Daarom is besloten om de omgang met de vader geheel stop te zetten en een nieuwe jeugdbeschermer aan te stellen. De GI heeft bodemeisen waaraan door de vader moet worden voldaan, voordat de omgang weer kan worden opgestart. Het is belangrijk dat de vader hieraan wil meewerken. Het is positief dat de vader individuele hulpverlening krijgt. De GI heeft inmiddels contact gelegd met de hulpverlener van vader. De GI verzoekt aanhouding van het verzoek, zodat over zes maanden kan worden bezien of er wel een omgangsregeling kan worden bepaald. Daarmee wil de GI de vader nog een stip geven aan de horizon. De GI hoopt dat de vader met de behandelaar de nodige stappen gaat zetten waardoor hij ook meer inzicht krijg in zijn eigen gedrag en de impact daarvan, zodat er weer omgang kan plaatsvinden met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
4.2.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Het incident tijdens het omgangsmoment met de vader vond plaats in het bijzijn van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en heeft een enorme indruk op hen gemaakt. Sindsdien slapen zij slecht(er). Zij maken zich voortdurend zorgen over de veiligheid van de moeder. De moeder vindt het belangrijk dat de GI goed zicht krijgt op de persoonlijke situatie van de vader. De gebeurtenissen veroorzaken bij de moeder forse spanning. Zij ervaart spanning voor de zitting en ook na de zitting is er veel angst bij de moeder. Tot aan de zitting was de moeder het eens met het verzoek van de GI om het verzoek aan te houden, maar de houding van de vader ter zitting laat zien dat hij nergens aan wil meewerken. In dat geval is het beter om duidelijkheid te hebben dat het verzoek om omgang vast te stellen wordt afgewezen. Aanhouding van het verzoek zal alleen maar over een half jaar onnodig tot spanning leiden. De stip aan de horizon zal de vader zelf moeten zetten. Wanneer hij actie onderneemt en in zijn behandeling wezenlijke stappen zet, zal de omgang vrijwillig door de moeder worden opgezet. De moeder hoopt dat de vader in het belang van de kinderen de nodige stappen gaat zetten.
4.3.
De vader brengt ter zitting het volgende naar voren. De vader is het vertrouwen in de GI verloren en hij wil niet meewerken aan hulpverlening. Het incident dat heeft plaatsgevonden was niet schadelijk voor de kinderen. De vader ziet geen meerwaarde in enige vorm van hulpverlening, vindt niet dat hij moet veranderen en gaat niet meewerken met de GI. Hij heeft het gevoel dat de kinderen bij hem weg worden gehouden. Hij is een goede vader en is altijd goed voor de kinderen geweest. Hij heeft nog een andere zoon waar hij ook normaal contact mee heeft. De vader kan hem zien zonder veiligheidsafspraken. Daarom is de vader van mening dat dit bij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ook zo zou moeten zijn.

5.Informatie van de grootouders vz

De grootouders vz begrijpen de situatie van de moeder. Zij zouden wel graag zien dat de vader weer de kans krijgt om zijn kinderen te zien. Toen de kinderen bij de grootouders vz verbleven en de vader aanwezig was, was hij altijd met de kinderen bezig en deed hij leuke dingen met ze. De grootouders vz keuren het gedrag van de vader niet goed, maar door het verzoek aan te houden krijgt hij nog de kans om de nodige stappen te zetten. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] missen de vader enorm en ook de vader wil graag zijn kinderen zien.

6.De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek van de GI
6.1.
De kinderrechter zal nu nog geen beslissing nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar de beslissing nog zes maanden uitstellen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
Na de vorige zitting is er een ernstig incident geweest met de vader, waar de kinderen getuige van zijn geweest. Daarbij vertoonde de vader grensoverschrijdend, agressief en bedreigend gedrag, waardoor de beveiliging moest worden ingeschakeld. Het incident heeft grote indruk op de kinderen gemaakt. Hierdoor heeft de GI besloten om de omgang stop te zetten. Ook heeft de vaste jeugdbeschermer de zaak moeten overdragen aan een collega vanwege de bedreigingen van de vader.
6.3.
Het hiervoor beschreven incident staat niet op zichzelf. Er zijn al langer zorgen over de vader. In de eerste periode van de ondertoezichtstelling ging vader geheel uit contact en waren er signalen van drugsgebruik en psychische problematiek. Na zijn gedwongen opname in een GGZ instelling in de zomer van 2025 met een zorgmachtiging, leek de vader rustiger en beter in contact te gaan met de GI. Dat was ook de reden dat er gestart is met opbouw van begeleide omgang. De kinderen reageerden positief op het contact met de vader en tijdens de begeleide momenten deed vader het goed met de kinderen. Wel is tijdens de vorige zitting duidelijk geworden dat de jeugdbeschermer geen inzicht had in zijn psychische toestand of eventueel drugsgebruik. De vader heeft desgevraagd aangegeven ook geen informatie te willen geven omdat niemand dat wat aangaat en er niets aan de hand is.
6.4.
Tijdens de afgelopen zittingen heeft de vader zich fel en intimiderend - en met momenten bedreigend - uitgelaten. Dit gedrag is onacceptabel. Naar het oordeel van de kinderrechter zijn de bedreigende houding van de vader naar de partijen op zittingen en de bedreiging van de jeugdbeschermer tijdens het laatste omgangsmoment contra-indicaties voor de opbouw van de omgang. Hoewel het in het algemeen in het belang van de kinderen is om contact te hebben met hun vader, staat de veiligheid en welzijn van de kinderen en de moeder voorop. Daarom is het belangrijk dat de GI bodemeisen formuleert waaraan voldaan moet zijn. Eén daarvan zal zijn dat er vanuit de kant van de vader geen dreigementen of uitspattingen zijn en dat hij zich met respect gedraagt naar de moeder en de betrokken instanties. Ook is in dit verband belangrijk dat de vader inzicht geeft in zijn psychische gesteldheid.
6.5.
De vader heeft ter zitting aangegeven geen enkele vorm van hulp te accepteren en geen veiligheidsafspraken te willen maken. De kinderrechter hoopt dat de vader inziet dat dit, voor het hebben van omgang met zijn kinderen, niet helpend is. De kinderrechter begrijpt dat de vader graag de kinderen wil zien, maar wil de vader op het hart drukken dat het aan hem is om te laten zien dat dit veilig kan. Dit alles vraagt zelfreflectie en inzicht van de vader. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de vader serieuze stappen gaat zetten, zodat de omgang met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] weer kan worden opgestart.
6.6.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de beslissing op het verzoek aanhouden tot de hierna te noemen pro forma-datum. In de tussenliggende periode zal duidelijk moeten worden of het de vader lukt om, in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , de nodige stappen te zetten.
6.7.
De kinderrechter verzoekt de GI
vóór 17 juli 2026te rapporteren (met afschrift aan de belanghebbenden) over de stand van zaken op dat moment en daarbij ook te vermelden of het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
Ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de moeder
6.8.
Nu namens de moeder het verzoek ter vervanging van de GI is ingetrokken, kunnen de gronden daarvan niet verder worden onderzocht. De kinderrechter zal daarom het aangehouden verzoek afwijzen.

7.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van het verzoek van de GI
7.1.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI aan tot
1 augustus 2026 pro forma;
7.2.
bepaalt dat de GI, de vader, de moeder en mr. P.A. van Lange op de genoemde pro forma datum niet ter zitting hoeven te verschijnen en dat zij tegen een nader te bepalen zitting moeten worden opgeroepen;
7.3.
verzoekt de GI de kinderrechter
vóór 17 juli 2026de verzochte rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de belanghebbenden);
Ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de moeder
7.4.
wijst het aangehouden verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 18 maart 2026.