Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3419

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/10/701244 / JE RK 25-1187
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen in het belang van hun verzorging en opvoeding

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2014 en 2017. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is niet verschenen vanwege recente bevalling, maar haar belangen werden vertegenwoordigd door een waarnemend advocaat.

De minderjarige kinderen verblijven respectievelijk in een gezinshuis en een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Eerder waren de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing reeds verlengd tot respectievelijk augustus 2026 en maart 2026. De GI verzocht nu om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot augustus 2026.

De kinderrechter constateert dat de positieve ontwikkelingen bij de moeder niet zijn doorgezet en dat de samenwerking met de GI volledig is stilgevallen, mede door het recente bevallen van de moeder. De kinderen ontvangen passende zorg en behandeling op hun huidige locaties. Een terugplaatsing is op dit moment niet mogelijk. De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden tot 9 juni 2026 en houdt het overige verzoek aan voor verdere behandeling.

De moeder wordt opgeroepen openheid te geven en medewerking te verlenen aan de hulpverlening. De GI dient een rapportage te overleggen voorafgaand aan de volgende zitting op 26 mei 2026. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen eindbeslissingen is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarigen wordt verlengd tot 9 juni 2026 vanwege het belang van hun verzorging en opvoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701244 / JE RK 25-1187
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. Ben Ahmed, kantoorhoudende te Rotterdam,
voor wie is verschenen: mr. S. Koçak, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 februari 2026 met de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
Op 6 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de (waarnemend) advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. Van de waarnemend advocaat heeft de kinderrechter begrepen dat de moeder onlangs is bevallen, waardoor zij niet ter zitting aanwezig kan zijn.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voor de zitting van 3 februari 2026 naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft een brief geschreven en [voornaam minderjarige 2] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] verblijft in een gezinshuis en [voornaam minderjarige 2] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten bij de Break.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 9 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 februari 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 9 maart 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. Over de periode tot 9 maart 2026 is al beslist. Er dient nu nog te worden beslist over de periode tot 9 augustus 2026.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Een verlenging van de maatregel is nodig nu de moeder uit contact is met de GI en de hulpverlening waardoor er geen zicht is op de thuissituatie. De samenwerking tussen de moeder en de huidige jeugdbeschermer verloopt moeizaam, daarom zullen er eind maart 2026 twee nieuwe jeugdbeschermers starten. De GI heeft eerder een perspectiefbesluit genomen, maar dit is eerder door de kinderrechter niet onderschreven. De GI hoopt dat de kinderrechter hier vandaag opnieuw naar wil kijken, ondanks dat de moeder er vandaag niet is. Desgevraagd vindt de GI een verlenging van de uithuisplaatsing voor een kortere duur ingewikkeld. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zitten nu op een plek waar zij de juiste ondersteuning en begeleiding krijgen en voordat een terugplaatsing kan worden onderzocht, moet er nog veel gebeuren. Eerst moet de omgang met de moeder worden uitgebreid en daarnaast moet de moeder weer in contact komen met de GI.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder
heeft moeite met het verzoek en ziet het liefst dat de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] kort wordt verlengd zodat er naar een thuisplaatsing kan worden gewerkt.
De moeder wil zich hier actief voor inzetten. Daarnaast wil de moeder dat de mogelijkheden voor een uitbreiding van het contact tussen haar en de kinderen wordt onderzocht. Ook de kinderen willen meer omgang met de moeder en uit de verslagen van Juutsom volgt dat de moeder steeds beter aansluit bij de kinderen. De relatie tussen de moeder en de GI is ernstig verstoord en de moeder kijkt uit naar de samenwerking met de nieuwe jeugdbeschermers. Met [voornaam minderjarige 1] gaat het goed en hij heeft het naar zijn zin bij het gezinshuis. Over [voornaam minderjarige 2] maakt de moeder zich meer zorgen, omdat hij het niet naar zijn zin heeft op de huidige groep.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Bij beschikking van 16 juli 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd voor een kortere periode dan werd verzocht. Destijds liet de moeder een prille positieve ontwikkeling zien en moesten de afgelopen zes maanden uitwijzen of zij dit kon vasthouden.
5.3.
Uit de briefrapportage en de mondelinge behandeling blijkt dat de positieve ontwikkeling zich niet heeft doorgezet. De samenwerking tussen de moeder en de jeugdbeschermers is geheel tot stilstand gekomen, de moeder is uit contact getreden en hierdoor is er al enige tijd geen zicht op de thuissituatie bij de moeder. Daar komt bij dat de moeder onlangs is bevallen en zij zodoende nu ook de zorg draagt voor een jonge baby. Positief is dat, om de impasse in de samenwerking te doorbreken, er twee nieuwe jeugdbeschermers aan het gezin zullen worden gekoppeld om ervoor te zorgen dat de samenwerking met de moeder in het belang van de kinderen weer tot stand komt.
5.4.
Het voorgaande maakt dat een terugplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op dit moment niet mogelijk is. [voornaam minderjarige 1] zit op zijn plek in het gezinshuis en ondanks dat [voornaam minderjarige 2] het niet naar zijn zin heeft bij de Break, ontvangt hij hier wel de behandeling die hij nodig heeft voor zijn problematiek. Alvorens de mogelijkheden van een terugplaatsing kunnen worden onderzocht, dient de moeder eerst in contact te treden met de GI. Daarna dient te worden bezien of de omgang tussen de moeder en de kinderen kan worden uitgebreid. Het belang van de kinderen staat hierbij voorop. De kinderrechter roept de moeder op hierbij openheid van zaken te geven, haar volledige medewerking te verlenen en open te staan voor de hulpverlening die door de GI noodzakelijk wordt geacht.
5.5.
Daarnaast heeft de GI de kinderrechter ter zitting verzocht zich uit te spreken over het genomen perspectiefbesluit. Ondanks dat de kinderen last hebben van de onduidelijkheid over hun perspectief, is de kinderrechter van oordeel dat het op dit moment nog te vroeg is om zich hierover uit te laten. Daar komt bij dat de moeder niet ter zitting aanwezig was om haar standpunt hierover kenbaar te maken en tevens dient eerst de inzet van de nieuwe jeugdbeschermers te worden afgewacht.
5.6.
Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van drie maanden, te weten tot 9 juni 2026, en de beslissing op het overige verzochte aanhouden tot de hierna te noemen zitting.
5.7.
De GI wordt verzocht om een week vóór de hierna vermelde zittingsdatum een briefrapportage (met afschrift aan de moeder en mr. Ben Ahmed) te overleggen over de dan actuele stand van zaken en aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 9 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens te beslissen:
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de moeder en mr. Ben Ahmed op te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van de rechtbank Rotterdam,
locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein
100 /125 te Rotterdam,op
26 mei 2026 te 13:30 uur, teneinde nader op het verzoek te
worden gehoord;
6.4.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene
omstandigheden, worden behandeld door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de
moeder en mr. Ben Ahmed;
6.6.
vraagt de griffier [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op te roepen voor het kindgesprek;
6.7.
verzoekt de GI uiterlijk een week voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder en mr. Ben Ahmed) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.