Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3430

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
C/10/686041 / HA ZA 24-805
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 1 CMRArt. 3 CMRArt. 20 lid 1 CMRArt. 31 lid 1 sub b CMRArt. 41 CMR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering schadevergoeding voor verloren lading zonnepanelen bij internationaal wegvervoer

DHF Fulfillment Management GmbH vordert schadevergoeding van Destina Group Spolka Z Ograniczona Odpowiedzialnos wegens verlies van een lading zonnepanelen tijdens vervoer van Rotterdam naar Gdansk. Destina heeft het vervoer uitbesteed aan een ondervervoerder. DHF stelt Destina aansprakelijk op grond van het CMR-verdrag en voert daarnaast een vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar Warta in Polen.

Destina verschijnt niet in de procedure, waardoor de vorderingen tegen haar bij verstek worden toegewezen. Warta voert verweer en stelt dat de verzekeringspolis geen dekking biedt voor vervoerswerkzaamheden, maar slechts voor expeditiewerkzaamheden. De rechtbank volgt dit standpunt op basis van polisvoorwaarden en correspondentie.

De rechtbank oordeelt dat het CMR-verdrag en aanvullend Pools recht van toepassing zijn. De vorderingen tegen Destina worden toegewezen tot een bedrag van circa €78.284,39 plus rente en proceskosten. De vorderingen tegen Warta worden afgewezen wegens uitsluiting van dekking. Proceskosten worden verdeeld waarbij DHF wordt veroordeeld tot betaling van een deel van de kosten van Warta.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door mr. P.C. Santema op 25 maart 2026.

Uitkomst: Vordering tegen vervoerder toegewezen, vordering tegen verzekeraar afgewezen wegens uitsluiting dekking.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/686041 / HA ZA 24-805
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
DHF FULFILLMENT MANAGEMENT GMBH,
gevestigd te Essen (Duitsland),
eiseres,
advocaten mr. J. Staab en mr. L.A. Tauber te Amsterdam,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DESTINA GROUP SPOLKA Z OGRANICZONA ODPOWIEDZIALNOS,
gevestigd te Osielsko (Polen),
gedaagde,
niet verschenen,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
TOWARZYSTWO UBEZPIECZEN I REASEKURACJI WARTA SPOLK,
gevestigd te Warschau (Polen),
gedaagde,
advocaat mr. J.B. Houtappel te Rotterdam.
Partijen worden hierna aangeduid met DHF, Destina en Warta.

1.Korte samenvatting van de zaak

In deze zaak vordert DHF een vergoeding van de schade die zij lijdt als gevolg van het verlies van een lading zonnepanelen tijdens wegvervoer van Rotterdam naar Polen. Zij spreekt Destina als vervoerder aan op grond van artikel 17 lid 1 CMR Pro jo artikel 3 CMR Pro en Warta als aansprakelijkheidsverzekeraar van Destina op grond van de directe actie van artikel 822 Kodeks Pro cywilny (Pools Burgerlijk Wetboek). De vorderingen 1 en 2 tegen Destina worden bij verstek toegewezen. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. De vorderingen tegen Warta worden afgewezen, omdat de polis van Destina geen dekking biedt voor vervoerswerkzaamheden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juni 2024, met producties 1 tot en met 11;
- de akte overlegging aanvullende producties van DHF, met productie 12;
- het op 18 september 2024 aan Destina en Warta verleende verstek;
- het op 6 november 2024 door Warta gezuiverde verstek;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4;
- de brief van 19 maart 2025 van deze rechtbank met daarin een oproep voor de mondelinge behandeling van 26 juni 2025;
- de brief van deze rechtbank van 30 mei 2025 met daarin een zittingsagenda;
- de mondelinge behandeling van 26 juni 2025 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van DHF en Warta.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is in overleg met partijen besloten om de procedure aan te houden. Hierbij is afgesproken dat partijen een (aanvulling op de)
legal opinionmet betrekking tot de uitleg van paragraaf 8 lid 1 onder 2 in de polisvoorwaarden met elkaar uitwisselen, om vervolgens gelijktijdig een akte te nemen waarin zij hun
legal opinionin het geding brengen en reageren op de
legal opinionvan de andere partij. Verder mochten partijen in hun akte nader reageren op het op de zitting ingenomen standpunt van Warta over de dekking van de polis en mocht Warta in haar akte nader toelichten waar in de polis de gevolgen staan van de uitsluitingen waarop Warta zich heeft beroepen. Eventueel konden partijen daarna nog een nadere akte nemen (zonder producties) in overleg met de rolrechter.
Conform afspraak heeft DHF een (aangevulde)
legal opinionnaar Warta gestuurd. Warta heeft echter geen
legal opinionnaar DHF gestuurd, zo laten beide partijen aan de rechtbank weten. DHF heeft op 24 september 2025 de akte aanvulling deskundigenbericht in het geding gebracht en Warta een akte na mondelinge behandeling/wijziging petitum.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
DHF is werkzaam op het gebied van logistiek.
3.2.
Destina houdt zich onder meer bezig met goederenvervoer over de weg.
3.3.
Warta is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Destina.
3.4.
In april 2023 heeft Jingdong Development Deutschland GmbH (hierna: Jingdong) aan DHF de opdracht gegeven voor het vervoer van zonnepanelen van Rotterdam naar Gdansk (Polen). Jingdong had deze opdracht op haar beurt ontvangen van de verkoper van de zonnepanelen, te weten LONGi (Netherlands) Trading B.V. (hierna: LONGi).
3.5.
DHF heeft de vervoersopdracht uitbesteed aan Destina. Destina heeft het vervoer vervolgens uitbesteed aan de Poolse vennootschap Paltrans Sp. ZO.O. (hierna: Paltrans). De lading met referentie [referentienummer] is op 1 mei 2023 ter vervoer door Paltrans ingeladen in Rotterdam, maar nooit in Gdansk afgeleverd.
3.6.
DHF heeft Destina per brief van 27 februari 2024 aansprakelijk gehouden voor de schade als gevolg van het verlies van de goederen.
3.7.
Per brief van 15 maart 2024 heeft de advocaat van Destina aan DHF laten weten dat Destina haar aansprakelijkheid afwijst.
3.8.
Warta heeft de verzekeringsdekking voor de schade per brief van 3 juni 2024 aan Destina afgewezen.

4.Het geschil

4.1.
DHF vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Destina en Warta hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan DHF van (afgerond) € 78.284,39, vermeerderd met de CMR-rente vanaf 27 februari 2024, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, althans vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;
Destina en Warta hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de (na)kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente;
Te verklaren voor recht dat Destina en Warta jegens DHF hoofdelijk aansprakelijk zijn voor andere materiële schade als gevolg van de verduistering dan wel diefstal dan wel anderszins opzettelijke verdwijning van de lading met referentie [referentienummer] , die niet onder sub 1 valt, en gehouden zijn deze schade aan DHF te vergoeden.
4.2.
Destina heeft, hoewel deugdelijk opgeroepen, geen verweer gevoerd.
4.3.
Warta voert verweer en concludeert – na wijziging van haar petitum – tot het, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niet ontvankelijk verklaren van DHF, althans afwijzing van haar vorderingen , althans tot het afwijzen van de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad, met veroordeling van DHF in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, in gegaan.

5.De beoordeling

in de zaak tegen Destina en de zaak tegen Warta

5.1.
Dit geschil betreft een internationale zaak, omdat DHF in Duitsland is gevestigd en Destina en Warta in Polen. De rechtbank zal daarom eerst haar internationale bevoegdheid en het toepasselijke recht vaststellen.
De rechtbank is bevoegd
5.2.
Alle partijen hebben hun woonplaats in een EU-lidstaat, zodat de bevoegdheid in
beginsel moet worden bepaald op basis van de Brussel 1 bis-Vo [1] .
Het gaat hier echter om een overeenkomst tot vervoer van goederen over de weg van een
plaats van inontvangstneming in Nederland (Rotterdam) naar een plaats bestemd voor de
aflevering in Polen (Gdansk). Op een dergelijke overeenkomst is het CMR-verdrag [2] van toepassing op grond van artikel 1 CMR Pro. Het CMR-verdrag is een bijzonder verdrag dat
in artikel 31 een Pro eigen bevoegdheidsregeling bevat die in dit geval ingevolge artikel 71
Brussel 1 bis-Vo voorgaat op de bevoegdheidsregeling van de Brussel 1 bis-Vo.
5.3.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om van dit geschil kennis te nemen
omdat de plaats van inontvangstneming in Nederland is gelegen (artikel 31 lid 1 sub Pro b
CMR), en de rechtbank Rotterdam is op grond van artikel 630 Rv Pro relatief bevoegd omdat de
plaats van inontvangstneming binnen het arrondissement Rotterdam is gelegen. De ruime
formulering van artikel 31 CMR Pro (“alle rechtsgedingen waartoe het aan dit Verdrag
onderworpen vervoer aanleiding geeft”) maakt dat de rechtbank ook bevoegd is ten aanzien
van Warta.
Het CMR-verdrag en aanvullend Pools recht zijn toepasselijk
5.4.
Het CMR-verdrag is op grond van artikel 1 juncto Pro 41 CMR dwingendrechtelijk van
toepassing. Aanvullend, voor zover de CMR niet alle relevante onderwerpen regelt, dient
het toepasselijk recht te worden bepaald aan de hand van de Rome I-Vo [3] .
5.5.
Niet gesteld of gebleken is dat in de vervoeropdracht die DHF aan Destina heeft gegeven, en die door Destina is aanvaard, een rechtskeuze is gemaakt. Op grond van artikel 5 Rome Pro I-Vo geldt dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de vervoerder haar gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen. In dit geval heeft Destina haar gewone verblijfplaats in Polen en is de plaats van aflevering ook in dat land gelegen. Pools recht is daarom aanvullend van toepassing op de vervoerovereen-komst tussen DHF en Destina.
5.6.
De vraag of de polis van Warta dekking biedt voor het voorval en de vraag of DHF een directe actie heeft jegens Warta moeten ingevolge artikel 7 lid 2 Rome Pro I-Vo naar Pools recht worden beantwoord, nu in paragraaf 19 van de polisvoorwaarden een rechtskeuze voor Pools recht is overeengekomen, hetgeen tussen DHF en Warta ook niet in geschil is:
“Final provisions
§ 19
(…)
5. Any insurance contract entered into hereunder shall be governed by the Polish law.”
en verder in de zaak tegen Destina
Grotendeels toewijzing van de vorderingen
5.7.
De vorderingen onder 1 en 2 tegen Destina, die verstek heeft laten gaan, komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen. Ten aanzien van de vordering onder 3 overweegt de rechtbank als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft DHF in het kader van haar vordering onder 3 aangegeven dat zij aansprakelijk wordt gehouden door haar opdrachtgever en dat in geval van opzet
mogelijkook gevolgschade gevorderd kan worden. Het is dus nog onbekend of en welke aanvullende vorderingen er zijn en de rechtbank kan niet beoordelen of deze naar Pools recht toegewezen kunnen worden. De vordering onder 3 zal daarom worden afgewezen.
5.8.
De rechtbank zal Destina als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) van DHF. Uitgezonderd de (afzonderlijk gemaakte) exploitkosten en nakosten zullen de kosten bij helfte aan Destina worden toegerekend. De rechtbank begroot de proceskosten van DHF op:
- dagvaarding € 112,37 (1 van € 112,37)
- griffierecht € 1.444,50 (1/2 van € 2.889,00)
- salaris advocaat € 645,00 (1/2 punt x tarief IV € 1.290,00)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals genoemd in de beslissing) +
Totaal € 2.390,87
5.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals
vermeld in de beslissing.
en verder in de zaak tegen Warta
Standpunten van partijen
5.10.
DHF legt aan haar vorderingen tegen Warta het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 17 lid 1 CMR Pro is Destina als vervoerder aansprakelijk voor het verlies van goederen ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering. De lading is op 1 mei 2023 in Rotterdam door de door Destina ingeschakelde ondervervoerder Paltrans ingeladen en niet binnen dertig dagen na 4 mei 2023 afgeleverd op het afleveradres in Gdansk, zodat volgens DHF de goederen op grond van artikel 20 lid 1 CMR Pro als verloren beschouwd kunnen worden. Destina is op grond van artikel 3 CMR Pro aansprakelijk voor het handelen van Paltrans. De vordering tegen Destina kan DHF rechtstreeks tegen Warta, als Destina’s aansprakelijkheidsverzekeraar, instellen op grond van artikel 822 Kodeks Pro cywilny (Pools Burgerlijk Wetboek), aldus DHF.
5.11.
Dat DHF Warta onder Pools recht rechtstreeks kan aanspreken wordt niet door Warta betwist. Volgens Warta kan zij echter niet door DHF aansprakelijk worden gehouden omdat er voor het voorval geen dekking bestaat onder de verzekeringspolis van Destina. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Warta aangevoerd dat de verzekeringspolis geen betrekking heeft op vervoerdersaansprakelijkheid, maar op aansprakelijkheid voor expeditiewerkzaamheden. In haar akte van 24 september 2025 licht Warta toe dat de polis die zij bij haar conclusie van antwoord had overgelegd niet de juiste polis is, omdat deze niet gold ten tijde van het voorval. Naast de juiste polis heeft Warta ook e-mailcorrespondentie tussen haar en de verzekeringsmakelaar van Destina, Nord Partner sp. Z.o.o. (hierna: Nord Partner) voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst in het geding gebracht, alsmede de offerte van Warta en het verzekeringscertificaat. Uit deze stukken blijkt dat zij destijds alleen dekking verleende voor werkzaamheden als expediteur, aldus Warta.
De polis dekt alleen expeditiewerkzaamheden
5.12.
De rechtbank volgt Warta op dit punt en komt tot het oordeel dat Destina ten tijde van het verlies van de lading slechts voor expeditiewerkzaamheden verzekerd was. Zij overweegt daartoe als volgt. In de door Warta overgelegde e-mailcorrespondentie is te lezen dat de verzekeringsmakelaar van Destina een offerteaanvraag doet voor een aansprakelijkheidsverzekering voor expediteurs. In één van deze e-mails schrijft Nord Partner op 22 augustus 2022 het volgende aan Warta (vertaald uit het Pools door de advocaat van Warta):
“Wij verzoeken u daarom om een offerte voor alleen OCS.”
Het onderwerp van de e-mail vermeldt “offerteaanvraag OCS+PU 2022 DESTINA GROUP”. De afkorting OCS staat volgens Warta voor ‘Aansprakelijkheidsverzekering Voor Expediteur’ en PU voor ‘Verzekeringspolis’. De offerte die Warta naar aanleiding hiervan heeft afgegeven op 23 augustus 2022 heeft de (vertaalde) titel “Offerte aansprakelijkheidsverzekering voor expediteurs” en het bijbehorende verzekeringscertificaat vermeldt bij “Scope of insurance”: “Freight forwarder’s liability”. Op de polis staat, voor zover relevant, het volgende weergegeven:

AANSPRAKELIJKHEIDSVERZEKERING VOOR EXPEDITEURS
(…)
Verzekeringsperiodevan 23-08-2022 tot en met 22-08-2023
(…)
ONDERWERP EN REIKWIJDTE VAN DE VERZEKERING
1. TUiR WARTA verleent verzekeringsbescherming in het kader van de burgerlijke aansprakelijkheid van de verzekeringnemer die expeditie-diensten erleent in en buiten Polen.”
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat partijen na de akte uitwisseling eventueel nog een nadere akte konden nemen (zie onder 2.2), maar DHF heeft kennelijk geen actie ondernomen om naar aanleiding van de akte van Warta een nadere akte te nemen. De rechtbank komt op basis van voornoemde (niet betwiste) stukken tot het oordeel dat de polis van Warta geen dekking biedt voor de schade.
Conclusie: afwijzen van de vorderingen onder 1 en 3
5.13.
De rechtbank wijst de vorderingen onder 1 en 3 af.
Proceskostenveroordeling (vordering onder 2)
5.14.
De rechtbank zal DHF als de in het ongelijk gestelde partij (grotendeels) veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) van Warta. Hierbij houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat Warta in haar conclusie van antwoord nog stelde dat Destina bij haar een polis tot dekking van vervoerdersaansprakelijkheid had afgesloten, dat zij tijdens de mondelinge behandeling voor het eerst aangaf dat de dekking alleen expeditiewerkzaamheden betrof en dat zij pas in haar akte van 24 september 2025 de juiste polis in het geding heeft gebracht. Zij heeft hierdoor niet alleen zelf nodeloos proceskosten gemaakt, maar ook DHF nodeloos verdere proceskosten laten maken. De rechtbank begroot de proceskosten van Warta daarom als volgt.
5.15.
Aan Warta wordt een bedrag van in totaal € 4.368,00 toegekend, bestaande uit
€ 2.889,00 voor griffierecht, € 1.290,00 (1 punt x tarief IV € 1.290,00) voor salaris advocaat en voor nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals genoemd in de beslissing). Daar staat tegenover dat aan DHF een bedrag van € 1.935,00 (1,5 punt x tarief IV € 1.290,00) aan (nodeloos gemaakte) salaris advocaatkosten wordt toegekend. Dit wordt verrekend met het aan Warta toegekende bedrag waardoor de proceskosten van Warta uitkomen op een bedrag van € 2.433,00.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt Destina tot betaling aan DHF van (afgerond) € 78.284,39, vermeerderd met de CMR-rente vanaf 27 februari 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
6.2.
veroordeelt Destina in de proceskosten, die aan de kant van DHF worden begroot op € 2.390,87, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Destina niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Destina
€ 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.3.
veroordeelt Destina in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten onder 6.2 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.4.
wijst de vorderingen tegen Warta af;
6.5.
veroordeelt DHF in de proceskosten, die aan de kant van Warta worden begroot op per saldo € 2.433,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als DHF niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet DHF € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen;
6.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
3597/32

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid. de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
2.Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg.
3.Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.