De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een netwerkpleeggezin. De kinderrechter heeft op 5 januari 2026 de zitting met gesloten deuren gehouden, waarbij de (pleeg)moeder, een vertegenwoordiger van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De (pleeg)vader was niet verschenen.
De feiten betreffen twee minderjarigen, waarvan de jongste sinds 2016 onder voogdij staat van de gecertificeerde instelling en sinds 2021 onder voogdij van de (pleeg)ouders. De jongste verblijft momenteel in een netwerkpleeggezin vanwege zorgen over de veiligheid en opvoedsituatie, mede ingegeven door uitspraken over mogelijk seksueel misbruik door de (pleeg)vader en zijn gevoelens voor jonge kinderen. De kinderrechter heeft eerder een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend.
De Raad handhaaft het verzoek tot verlenging van de machtiging, terwijl de (pleeg)ouders primair verzochten de machtiging te herroepen en subsidiair een deskundigenonderzoek wilden laten uitvoeren. De kinderrechter oordeelt dat de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging terecht zijn verleend en dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. De zorgen over veiligheid en opvoeding zijn nog niet weggenomen, ondanks de inzet van de (pleeg)ouders en het verblijf van de (pleeg)vader elders.
De kinderrechter wijst het verzoek tot benoeming van een deskundige af omdat het onderzoek van de Raad nog loopt en een parallel deskundigenonderzoek een extra belasting voor de minderjarige zou betekenen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de machtiging verlengd tot 24 maart 2026.