Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:348

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/10/712505 / JE RK 25-2699
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810a RvArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in netwerkpleeggezin

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een netwerkpleeggezin. De kinderrechter heeft op 5 januari 2026 de zitting met gesloten deuren gehouden, waarbij de (pleeg)moeder, een vertegenwoordiger van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De (pleeg)vader was niet verschenen.

De feiten betreffen twee minderjarigen, waarvan de jongste sinds 2016 onder voogdij staat van de gecertificeerde instelling en sinds 2021 onder voogdij van de (pleeg)ouders. De jongste verblijft momenteel in een netwerkpleeggezin vanwege zorgen over de veiligheid en opvoedsituatie, mede ingegeven door uitspraken over mogelijk seksueel misbruik door de (pleeg)vader en zijn gevoelens voor jonge kinderen. De kinderrechter heeft eerder een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend.

De Raad handhaaft het verzoek tot verlenging van de machtiging, terwijl de (pleeg)ouders primair verzochten de machtiging te herroepen en subsidiair een deskundigenonderzoek wilden laten uitvoeren. De kinderrechter oordeelt dat de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging terecht zijn verleend en dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. De zorgen over veiligheid en opvoeding zijn nog niet weggenomen, ondanks de inzet van de (pleeg)ouders en het verblijf van de (pleeg)vader elders.

De kinderrechter wijst het verzoek tot benoeming van een deskundige af omdat het onderzoek van de Raad nog loopt en een parallel deskundigenonderzoek een extra belasting voor de minderjarige zou betekenen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de machtiging verlengd tot 24 maart 2026.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 24 maart 2026 en het verzoek tot benoeming van een deskundige wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaaknummer: C/10/712505 / JE RK 25-2699
datum uitspraak: 5 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam (pleeg)moeder],
hierna te noemen: de (pleeg)moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.M.N. Metry uit Barneveld,
[naam (pleeg)vader],
hierna te noemen: de (pleeg)vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.M.N. Metry uit Barneveld,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het verweerschrift van de ouders, met zelfstandig verzoek, met bijlagen van 2 januari 2026.
1.2.
Op 5 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de (pleeg)moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
1.3.
De (pleeg)vader is, hoewel juist opgeroepen, niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De (pleeg)ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
Op de geboortedatum van [minderjarige 2] , 30 september 2016, is de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige 2] belast. Bij beschikking van 22 mei 2017 is het ouderlijk gezag van de (biologische) moeder van [minderjarige 2] beëindigd en is de GI met de voogdij over [minderjarige 2] belast. Bij beschikking van 2 maart 2021 zijn de (pleeg)ouders met de voogdij over [minderjarige 2] belast.
2.3.
[minderjarige 1] woont bij de ouders. [minderjarige 2] verblijft in een netwerkpleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 december 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 24 maart 2026.
2.5.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 december 2025 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in het netwerkpleeggezin van de familie [naam 3] verleend voor de duur van vier weken, te weten tot 21 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht.
[minderjarige 2] verblijft op dit moment in een netwerkpleeggezin. In de afgelopen periode zijn er veel zorgen naar voren gekomen. In de komende periode zal zorgvuldig onderzoek moeten worden verricht door de Raad. Naar het oordeel van de Raad worden de zorgen gebagatelliseerd en niet volledig erkend door de (pleeg)moeder. Zij ziet de noodzaak van de veiligheidsafspraken niet in. De Raad wil alle veiligheidsrisico’s uitsluiten. Het is belangrijk dat het gesprek met de (pleeg)moeder plaatsvindt en dat zij overtuigd raakt van de risico’s. Enver heeft aangegeven dat zij geen samenwerking meer kunnen hebben met het pleeggezin. De Raad ziet geen noodzaak voor het gelasten van een deskundigenonderzoek ex artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zoals verzocht door de (pleeg)ouders.
4.2.
De GI heeft het verzoek van de Raad ondersteund en naar voren gebracht dat het naar omstandigheden goed gaat met [minderjarige 2] in het netwerkpleeggezin. Hij gaat goed mee in het ritme en de structuur van het pleeggezin, maar in de avond heeft hij last van piekeren. Daar wordt nu op ingespeeld door het pleeggezin door overdag een vast moment in te bouwen voor zijn gedachten en emoties. Er moet bekeken worden waar [minderjarige 2] in de komende periode naar school kan gaan. Er heeft een bezoekmoment met de (pleeg)ouders plaatsgevonden. De GI zal bekijken op welke wijze het contact tussen [minderjarige 2] en zijn broers kan plaatsvinden. Er wordt ambulante spoedhulp ingezet om meer zicht te krijgen op de gezinssituatie en wat [minderjarige 1] nodig heeft in deze situatie. Het is belangrijk dat hij hierin wordt begeleid.
4.3.
Door en namens de (pleeg)ouders is geen verweer gevoerd tegen de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is primair verzocht om het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] af te wijzen en de al verleende machtiging uithuisplaatsing te herroepen. Subsidiair is verzocht om een deskundige te benoemen ex artikel 810a, tweede lid, Rv, die belast wordt met onderzoek naar de hechting van [minderjarige 2] in het pleeggezin en de mogelijke gevolgen van een hechtingsbreuk als [minderjarige 2] uit huis zal worden geplaatst, en de zaak aan te houden in afwachting van het rapport van de deskundige. Ter onderbouwing van dit standpunt is aangevoerd dat [minderjarige 2] is opgegroeid in het gezin van de (pleeg)ouders. Hij functioneert goed in het gezin en op school. Het is belangrijk dat [minderjarige 2] naar zijn eigen school kan blijven gaan. De (pleeg)moeder is intrinsiek gemotiveerd om de veiligheidsmaatregelen na te leven. De (pleeg)vader verblijft momenteel elders en hij ontvangt persoonlijke hulpverlening. Op de momenten dat de (pleeg)vader thuis is, is dat in het bijzijn van een andere volwassene. De (pleeg)ouders nemen de zorgen serieus en zij doen alles wat nodig is in het belang van [minderjarige 2] . De (pleeg)ouders staan open voor een (voorlopige) ondertoezichtstelling, zodat er zicht is op het gezin.

5.De beoordeling

Voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
5.1.
Op basis van de overgelegde stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terecht is verleend bij de (spoed)beschikking van 24 december 2025. De (pleeg)ouders hebben geen verweer gevoerd tegen een voorlopige ondertoezichtstelling. Er bestaan zorgen over de opvoedsituatie waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgroeien. Dit in verband met recente uitspraken van een oud-pleegdochter over mogelijk seksueel misbruik door de (pleeg)vader en de hierop volgende uitspraken van de (pleeg)vader tegenover de hulpverlening over zijn gevoelens voor jonge kinderen, zowel meisjes als jongens. Naar aanleiding hiervan zijn kortgeleden twee jongere pleegkinderen uit het gezin overgeplaatst naar een ander pleeggezin. [minderjarige 2] is op 24 december 2025 met een spoedmachtiging uit huis geplaatst. Het is nodig dat de Raad onderzoek doet om zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] lijdt erg onder alles wat er de afgelopen weken is gebeurd. Hij heeft hulp nodig om dit te verwerken. Deze hulp kan in de komende periode worden ingezet.
Machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2]
5.2.
De kinderrechter is ook van oordeel dat ook de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] terecht is verleend bij de spoedbeschikking van 24 december 2025 en dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Gelet op bovengenoemde zorgen en de jonge leeftijd van [minderjarige 2] , kon de veiligheid van [minderjarige 2] in het pleeggezin niet langer worden gewaarborgd. [minderjarige 2] is daarom op 24 december 2025 met een machtiging van de kinderrechter overgeplaatst naar een netwerkpleeggezin, waar hij tot op heden verblijft. In dit netwerkpleeggezin verblijft het biologische zusje van [minderjarige 2] ook al langere tijd. [minderjarige 2] kent het gezin door de contactmomenten met zijn zusje en hij is in een korte tijd goed geland in het gezin.
5.3.
In de komende periode zal er door de Raad onderzoek worden verricht. Positief is dat de (pleeg)ouders open staan voor hulpverlening en bereid zijn om zich aan veiligheidsafspraken te houden, in het belang van de kinderen. Dat de (pleeg)vader op dit moment op een andere plek verblijft en de ouders zich gecommitteerd hebben aan veiligheidsafspraken, maakt echter niet dat de zorgen voldoende zijn weggenomen en de veiligheid van [minderjarige 2] voldoende is gewaarborgd als hij op dit moment terug zou keren naar huis. Er zijn immers ook zorgen over de houding van de (pleeg)moeder ten opzichte van de melding, de meldster en de uitspraken van de (pleeg)vader over zijn gevoelens voor jonge kinderen. Hoewel de (pleeg)moeder zich inzet om de veiligheidsafspraken na te komen en daarbij in het belang van de kinderen denkt, heeft zij de zorgen over haar houding nog niet weg kunnen nemen. Het is belangrijk dat er zorgvuldig onderzoek plaatsvindt naar de zorgen en de mogelijke veiligheidsrisico’s alvorens kan worden gesproken over een thuisplaatsing van [minderjarige 2] .
5.4.
In de komende tijd zal ambulante spoedhulp worden ingezet, zodat er meer zicht komt op de opvoedsituatie. Hoewel uit de gesprekken die met beide kinderen zijn gevoerd geen signalen van misbruik en/of verwaarlozing naar voren komen, komen er wel signalen naar voren met betrekking tot pedagogische onmacht/onkunde en fysieke straffen door de (pleeg)ouders, zoals het geven van een tik op de vingers en het knijpen in het bovenbeen. Dit heeft de (pleeg)moeder ook ter zitting bevestigd. Het is belangrijk dat ook deze zorgen worden meegenomen in het onderzoek en de in te zetten hulpverlening.
5.5.
Gedurende de plaatsing van [minderjarige 2] in het netwerkpleeggezin is het belangrijk dat er aandacht is voor de omgang tussen [minderjarige 2] , de (pleeg)ouders en de rest van het gezin. [minderjarige 2] verblijft immers al vanaf zijn geboorte in het gezin van de (pleeg)ouders en hij is gehecht aan het gezin.
5.6.
Gelet op het vorenstaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in het netwerkpleeggezin verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 24 maart 2026.
Verzoek benoeming deskundige
5.7.
Namens de (pleeg)ouders is verzocht om een deskundige te benoemen op grond van artikel 810a, tweede lid, Rv. Artikel 810a, tweede lid, Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende onder meer de ondertoezichtstelling van minderjarigen, op verzoek van een ouder, een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.8.
De kinderrechter is op grond van de stukken en de zitting van oordeel dat een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a Rv op dit moment nog prematuur is, nu de Raad op dit moment bezig is met zijn onderzoek. De kinderrechter verwacht dat de kwesties die de (pleeg)ouders in het kader van een deskundigenonderzoek aan de orde willen stellen, namelijk de hechting van [minderjarige 2] in het pleeggezin en de mogelijke gevolgen van een hechtingsbreuk als [minderjarige 2] uit huis wordt geplaatst, worden meegenomen in het beschermingsonderzoek dat in de komende periode wordt verricht door de Raad. Bovendien zal een parallel lopend deskundigenonderzoek een extra belasting voor [minderjarige 2] opleveren, wat niet in zijn belang is. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de (pleeg)ouders afwijzen.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van
24 december 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in het netwerkpleeggezin van de familie [naam 3] tot 24 maart 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026 door
mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. Spaans als griffier, en op schrift gesteld op 7 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.