ECLI:NL:RBROT:2026:3491

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604508:R-RK en NL:TZ:2604509:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 284, tweede lid, FwArt. 285, eerste lid, sub f, FwArt. 287 FwArt. 287b, eerste lid, Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratoriumverzoek wegens onvoldoende bewijs huurbetaling en inkomen

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster zou verbieden het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 287b van de Faillissementswet en beoogt een moratorium van zes maanden.

Tijdens de zitting verklaarde verzoeker een nieuwe baan te hebben met een netto maandinkomen van ongeveer €2.500, wat voldoende zou zijn om de huur van €561,13 te betalen. Schuldhulpverlening gaf aan dat budgetbeheer zal worden opgestart. Verweerster is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat de ontruiming aankondigt. Echter, verzoeker heeft niet kunnen aantonen dat de huur voor de maand maart is voldaan en heeft geen arbeidsovereenkomst overgelegd ondanks herhaalde verzoeken. Hierdoor weegt het belang van verweerster zwaarder dan dat van verzoeker.

De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoeker kan op een later moment een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het verzoek om een moratorium wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van huurbetaling en inkomen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummers: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 26 maart 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 23 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 23 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 maart 2026.
Ter zitting van 19 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
Schuldhulpverlening heeft de rechtbank op 24 maart 2026 bericht met een stand van zaken.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij een nieuwe baan heeft en daarmee ongeveer
€ 2.500,00 netto per maand verdient. Dit is voldoende om de huur van € 561,13 te voldoen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat budgetbeheer opgestart zal worden.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 27 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 januari 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om een bewijs van betaling voor de huur van de maand maart 2026 en een kopie van de arbeidsovereenkomst op te sturen. Ondanks herhaalde verzoeken van schuldhulpverlening heeft verzoeker de gevraagde stukken niet opgestuurd. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.