Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3500

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
12088024 VV EXPL26-67
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 7:660a BWArt. 237 RvArt. 27 lid 1 cao schoonmaak- en glazenwassersbedrijf
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering wegens terechte loonstop door werkgever

Werknemer is sinds januari 2021 werkzaam als medewerker schoonmaakonderhoud en raakte in augustus 2025 arbeidsongeschikt na een val. Werkgever heeft meerdere keren loonstop en loonopschorting toegepast vanwege het niet opvolgen van oproepen van de bedrijfsarts en het weigeren van een medische machtiging.

In januari en februari 2026 werd werknemer uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van werkgever in Alphen aan den Rijn om werkgerelateerde problemen te bespreken en re-integratie te bevorderen. Werknemer weigerde te verschijnen en stelde een andere locatie voor, maar werkgever hield vast aan de locatie vanwege vertrouwelijkheid en faciliteiten.

De kantonrechter oordeelt dat de oproep voor het gesprek een redelijk voorschrift is en dat werknemer onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd voor zijn weigering om naar Alphen aan den Rijn te reizen. Daarom was de loonstop terecht. Tevens is geoordeeld dat werkgever het loon niet per se uiterlijk op de 26e van de maand hoeft te betalen, conform cao-bepalingen.

De vordering van werknemer wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De loonvordering van werknemer wordt afgewezen omdat de loonstop door werkgever terecht is toegepast.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12088024 VV EXPL 26-67
datum uitspraak: 3 maart 2026 (bij vervroeging)
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. L.A. Alderlieste,
tegen
[naam] Facilitair B.V.,
vestigingsplaats: Alphen aan den Rijn,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.J.W. Hoek.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [naam] Facilitair’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 februari 2026, met producties;
  • de mail van 12 februari 2026 van de gemachtigde van [eiser] , met de mededeling dat het loon over de maand januari 2026 is ontvangen en de eis dienovereenkomstig wordt verminderd;
  • de brief van 13 februari 2026 van de gemachtigde van [naam] Facilitair, met producties;
  • de pleitaantekeningen van mr. M.J.W. Hoek.
1.2.
Op 17 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser] met mr. Alderlieste en de heer [naam] namens [naam] Facilitair, met mr. Hoek.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
De kern van deze zaak betreft de vraag of [naam] Facilitair als werkgeefster van [eiser] terecht de loonbetaling aan [eiser] met ingang van 3 februari 2026 heeft stopgezet. [eiser] meent dat dit niet het geval is en eist daarom in dit kort geding, na vermindering van eis en verkort weergegeven, dat [naam] Facilitair primair wordt veroordeeld om het loon vanaf 3 februari 2026 te voldoen, steeds uiterlijk op de 26e van de maand en subsidiair om [naam] te veroordelen het loon vanaf 3 februari 2026 te betalen. [naam] Facilitair is het niet eens met deze eis. Zij vindt dat de loonstop terecht is toegepast.
Wat is er gebeurd?
2.2.
[eiser] is sinds 15 januari 2021 bij [naam] Facilitair werkzaam als medewerker schoonmaakonderhoud. [eiser] zegt dat hij op 28 augustus 2025 is uitgegleden op de werkvloer en dat hij bij dit ongeval met zijn hoofd tegen een container is aangekomen en zijn enkel heeft gekneusd. [eiser] heeft nog enkele dagen gewerkt, maar kreeg steeds meer last van hoofdpijn en heeft zich ziekgemeld. [naam] Facilitair heeft over de periode van 8 tot 22 september 2025 een loonstop toegepast omdat [eiser] ondanks waarschuwingen geen gehoor gaf aan de oproep van de bedrijfsarts. Per 12 december 2025 heeft [naam] Facilitair loonopschorting toegepast omdat [eiser] weigerde een medische machtiging te verstrekken. Per 17 december 2025 heeft [naam] Facilitair de loonbetaling hervat.
2.3.
Op 9 januari 2026 is er een consult geweest bij de arbo- en verzuimadviseur. In de terugkoppeling aan [naam] Facilitair is het volgende opgenomen:
“(…) Vandaag sprak ik met dhr. [eiser] . Meneer ervaart een minimale verbetering in zijn belemmeringen. Begin volgende week heeft hij een controle afspraak met zijn huisbehandelaar. Werknemer gaat dan zijn herstel met de huisbehandelaar bespreken en wat hij hierin nog kan doen om dit te bevorderen. Hij benoemt graag te willen starten met de werkhervatting en dat hij dit met u heeft besproken. We bespreken de geschillen die zich in de afgelopen periode hebben voorgedaan tussen werknemer en werkgever. We spreken af dat werknemer hiervoor eerst een afspraak met werkgever maakt om deze te bespreken. Werknemer heeft het verzoek om dit op neutraal terrein in de buurt van zijn huisadres te laten plaatsvinden. Uw werknemer zal na de afspraak met zijn behandelaar contact met u opnemen.
Wanneer de zakelijke geschillen zijn uitgesproken kan werknemer in het kader van structuur en regelmaat starten met twee uur werken in een prikkelarme omgeving als dit gebonden kan worden. (…)”
2.4.
Op 16 januari 2026 is [eiser] bij de bedrijfsarts geweest. In de terugkoppeling van 20 januari 2026 aan [naam] Facilitair is opgenomen:
“(…) Zelf wil hij graag in gesprek met werkgever om over de ontstane werkgerelateerde problematiek te praten. Gezien zijn welbevinden en vervoersproblemen zou hij dit graag bij hem thuis of halverwege ergens willen inplannen. Hij kan met werkgever bespreken wat hierin haalbaar is. (PS: ik heb dit na het spreekuur ook al even kort met werkgever zo besproken). Als het werkgerelateerde probleem met elkaar is besproken en duurzaam is opgelost, kan medewerker proberen om twee uur per dag wat aan arbeid op te pakken. (…)”
2.5.
[naam] Facilitair heeft op 2 februari 2026 [eiser] via whatsapp uitgenodigd voor een gesprek op 3 februari 2026 om 14:00 uur op het kantoor in Alphen aan den Rijn. [eiser] heeft diezelfde dag per whatsapp aangegeven: “(…)
Zoals ik eerder aangaf is een gesprek op dit moment medisch niet verantwoord door aanhoudende misselijkheid, braken en migraine, waardoor reizen en langdurig praten niet haalbaar is. Ik volg het advies van de bedrijfsarts. Zodra de bedrijfsarts aangeeft dat een gesprek medisch verantwoord is, plan ik dit graag in. (…).” [naam] Facilitair heeft daarop geantwoord dat als [eiser] niet zou komen er een loonstop zou worden ingevoerd, dat er contact was geweest met de bedrijfsarts en dat volgens de bedrijfsarts een gesprek prima kon. [eiser] is niet verschenen. Per 3 februari 2026 heeft [naam] Facilitair de betaling van het loon stopgezet omdat [eiser] volgens [naam] Facilitair, door niet met haar in gesprek te gaan, de re-integratie belemmerde.
2.6.
Vervolgens is tussen de gemachtigden discussie ontstaan over de locatie waar het gesprek zou moeten plaatsvinden. [eiser] heeft aangegeven dat hij het gesprek zou willen voeren op de locatie waar hij werkt en anders op neutraal terrein bij hem in de buurt of bij hem thuis. [naam] Facilitair heeft vastgehouden aan de locatie Alphen aan den Rijn.
Toetsingskader in kort geding
2.7.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [naam] Facilitair als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
2.8.
Het spoedeisend belang bij de vordering van [eiser] vloeit in deze zaak voort uit de aard van de loonvordering.
De vorderingen worden afgewezen
2.9.
De kantonrechter wijst de primaire en subsidiaire vordering van [eiser] af, omdat voorshands wordt geoordeeld dat [naam] Facilitair de loonstop terecht heeft toegepast en, ook als geen loonstop wordt toegepast, zij het loon niet altijd uiterlijk de 26ste van de maand hoeft te betalen. Hierna wordt deze beslissing toegelicht.
[naam] Facilitair heeft de loonstop terecht toegepast
Wettelijk kader
2.10.
In artikel 7:629 BW Pro is bepaald wanneer de werkgever het recht heeft de betaling van het loon stop te zetten. Dat is onder meer het geval als de zieke werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan (kort gezegd) zijn re-integratie. De re-integratieverplichtingen van de arbeidsongeschikte werknemer zijn neergelegd in artikel 7:660a BW. Dit artikel bepaalt onder a dat de werknemer verplicht is gevolg te geven aan redelijke voorschriften en mee te werken aan maatregelen die erop zijn gericht hem zijn eigen of andere passende arbeid te laten verrichten. Deze verplichting correspondeert met de in artikel 7:629 lid 3 onder Pro d BW opgenomen grond voor een loonstop. Er is niet wettelijk vastgelegd wat verstaan moet worden onder een redelijk voorschrift. Gelet op de strekking van de bepaling moet er in zijn algemeenheid van worden uitgegaan dat daarvan sprake is indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
i) gegeven de aard van de arbeidsongeschiktheid en de stand van zaken in de re-integratie is het voorschrift gepast,
ii) aannemelijk is dat (het resultaat van) het voorschrift de re-integratie zal bevorderen en
iii) van de werknemer kan in redelijkheid worden gevergd dat hij het voorschrift opvolgt.
Bij een en ander komt gewicht toe aan wat de bedrijfsarts en/of arbeidsdeskundige of een andere in dat verband ingeschakelde deskundige heeft geadviseerd.
2.11.
In dit geval moet de vraag worden beantwoord of de oproep voor een gesprek op het kantoor in Alphen aan den Rijn kan worden beschouwd als een redelijk voorschrift, waaraan [eiser] gevolg had moeten geven.
De oproep voor een gesprek op het kantoor in Alphen aan den Rijn is een redelijk voorschrift
2.12.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kan de oproep voor een gesprek op het kantoor in Alphen aan den Rijn als een redelijk voorschrift worden beschouwd. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.13.
Uit de terugkoppeling van zowel de verzuimadviseur als de bedrijfsarts blijkt dat [eiser] en [naam] Facilitair eerst het werk-gerelateerde probleem met elkaar moeten bespreken en duurzaam oplossen voordat [eiser] kan starten om weer twee uur per dag werkzaamheden te verrichten. De uitnodiging van [naam] Facilitair om op gesprek te komen is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook een redelijk voorschrift, omdat het als doel heeft dat [eiser] daarna zou kunnen starten met zijn re-integratie.
2.14.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kon [naam] Facilitair in redelijkheid verlangen dat het gesprek op de locatie in Alphen aan den Rijn zou plaatsvinden. [naam] Facilitair heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij het gesprek wilde voeren in een ruimte waar dat ongestoord zou kunnen. Voor de locatie van het gesprek is daarom het kantoor in Alphen aan den Rijn gekozen, omdat daar gelegenheid is om in een aparte ruimte met elkaar het gesprek aan te gaan. De locatie in Rotterdam, waar [eiser] normaal werkt, beschikt volgens [naam] Facilitair niet over een ruimte voor het voeren van een vertrouwelijk gesprek, omdat er alleen een ruimte is met een kantinefunctie, waar collega’s kunnen in- en uitlopen. Volgens [naam] Facilitair is de locatie Alphen aan den Rijn dus de enige locatie van [naam] Facilitair waar een ongestoord gesprek mogelijk is. [eiser] heeft dit niet betwist.
2.15.
[eiser] heeft aangegeven dat hij om medische redenen niet in staat is om naar de locatie in Alphen aan den Rijn te reizen. Uit de (in deze procedure) overgelegde stukken van de bedrijfsarts kan dit niet worden afgeleid. In de terugkoppeling van de bedrijfsarts is opgenomen dat [eiser] in verband met zijn welbevinden en vervoersproblemen het gesprek graag bij hem thuis of ergens halverwege wilde inplannen en de bedrijfsarts heeft daarbij aangegeven dat [eiser] met [naam] Facilitair zou kunnen bespreken wat hierin haalbaar was. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat de bedrijfsarts de locatie Alphen aan den Rijn zou hebben uitgesloten, zoals [eiser] stelt. Op verzoek van [naam] Facilitair heeft de bedrijfsarts op 10 februari 2026 per e-mail nog een nadere toelichting gegeven. Daarin stelt de bedrijfsarts geen medische reden te zien waarom [eiser] wel naar zijn normale werklocatie kan komen en niet naar het kantoor in Alphen aan den Rijn. Het lag daarom op de weg van [eiser] om zijn stelling, dat hij om medische redenen niet naar Alphen aan den Rijn kon reizen, nader te onderbouwen, met bijvoorbeeld een verklaring van zijn behandelaar of een deskundigenoordeel van het UWV. Omdat [eiser] dit niet heeft gedaan, heeft hij zijn stelling onvoldoende onderbouwd en wordt er in dit kort geding vanuit gegaan dat [eiser] op 3 februari 2026 in staat was om naar de locatie Alphen aan den Rijn te reizen.
2.16.
Nu er geen medische noodzaak was om het gesprek te laten plaatsvinden op een locatie die dichter bij de woning van [eiser] is gelegen dan Alphen aan den Rijn, mocht [naam] Facilitair in redelijkheid van [eiser] verlangen dat hij op die locatie aan het gesprek zou deelnemen. Van [naam] Facilitair kon onder deze omstandigheden niet gevergd worden om het gesprek bij [eiser] thuis te voeren of om daarvoor een ruimte te huren in, bijvoorbeeld, een hotel of een zalencentrum.
[naam] Facilitair mocht loonstop toepassen
2.17.
[naam] Facilitair heeft [eiser] uitgenodigd om te verschijnen op 3 februari 2026, waarbij hij er uitdrukkelijk op is gewezen dat [naam] Facilitair een loonstop zou toepassen als hij niet zou verschijnen. Desondanks is hij niet verschenen. Om die reden en omdat de oproep voor een gesprek op locatie Alphen aan den Rijn een redelijk voorschrift was, had [naam] Facilitair het recht om de loonstop per 3 februari 2026 toe te passen. Er is niets gesteld of gebleken op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de loonstop disproportioneel zou zijn.
[naam] Facilitair hoeft het loon niet al op de 26ste van iedere maand te betalen
2.18.
Ook indien [eiser] vanaf nu wel volledig zou meewerken aan zijn re-integratie, hoeft [naam] Facilitair het loon niet al op de 26ste van iedere maand te betalen. Volgens artikel 27 lid 1 van Pro de cao in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf moet de werkgever het loon uiterlijk één week na afloop van het loontijdvak betalen. In dit geval is dat dus binnen één week na het einde van elke kalendermaand. Weliswaar betaalt [naam] Facilitair het loon van haar werknemers in de regel vóór het einde van de maand bij wijze van voorschot uit, maar zij heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij dat – om administratieve redenen - niet doet in het geval dat zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals bijvoorbeeld als er loonbeslag is gelegd of, zoals is dit geval, dat er sprake is van een (mogelijke of daadwerkelijke) loonstop. Het is niet gebleken dat [naam] Facilitair [eiser] in dit opzicht anders behandelt dan andere werknemers. Anders dan [eiser] acht de kantonrechter deze praktijk niet in strijd met goed werkgeverschap. [naam] Facilitair heeft overigens tijdens de zitting opgemerkt dat zodra er geen sprake meer is van een loonstop, [eiser] weer zal worden meegenomen bij de betaling van de voorschotten.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.19.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [naam] Facilitair moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.20.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [naam] Facilitair worden begroot op € 1.009,-;
3.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
754