2.2.1.Vrijspraak
De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer (geboren op [geboortedatum 2] 2007) op 8 april 2025 in Spijkenisse een steekverwonding heeft opgelopen tijdens een ruzie, voor de woning van de verdachte aan het [adres] , waarbij hij en een aantal anderen, waaronder ook de verdachte, betrokken waren. De verwonding is fotografisch vastgelegd door de politie. Op de foto’s is een verwonding in de linker ribbenkast te zien. Het slachtoffer heeft in zijn aangifte verklaard dat hij hierdoor een klaplong heeft opgelopen, wat wordt bevestigd door de FARR-verklaring van 3 juni 2025.
Voorts stelt de rechtbank vast dat de opmaat naar voornoemde ruzie lag in de interactie tussen de getuige [getuige 2] (de tweelingbroer van het slachtoffer) en de verdachte. Eerstgenoemde was omstreeks 22:05 uur over het fietspad langs het Scherpgras aan het rijden met zijn scooter. Naar eigen zeggen van deze getuige maakt die scooter “best wel wat herrie” en “snapt” hij “dat dit vervelend kan zijn voor anderen”. De verdachte had thuis onder meer twee slapende jonge kinderen. Naast getuige [getuige 2] reed daar ook de getuige [getuige 3] op een scooter. Het slachtoffer en de getuige [getuige 1] bevonden zich ook in de nabije omgeving.
De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte de getuige [getuige 2] op enig moment bij zijn scooterhelm heeft vastgepakt en vastgehouden. Het slachtoffer is hierop naar hen toegerend en de getuigen [getuige 3] en [getuige 1] kwamen daar eveneens op af. Er ontstond vervolgens een discussie tussen de getuigen, het slachtoffer en de verdachte. Eerstgenoemden meenden dat de verdachte de getuige [getuige 2] had mishandeld. Het slachtoffer heeft hierover zijn moeder, [persoon A] , opgebeld en aan haar gezegd dat ze naar buiten moest komen.
De rechtbank stelt vast dat de discussie tussen deze vijf luid verloopt en de aandacht trekt van meerdere bewoners van de woningen aan het Scherpgras. Een onbekend gebleven bewoonster maakt hierom een melding bij de politie. Zij heeft het daarin onder andere over jongeren met een scooter die daarmee constant hun overbuurman lopen uit te dagen en dat zij ze heeft horen gillen “van hij heeft een mes”, wat desgevraagd gezegd zou zijn door de jongeren en desgevraagd dat één van de jongeren een mes zou hebben. De meldster heeft dit alleen heeft horen roepen en heeft dit niet gezien. De getuige [getuige 4] gaat naar buiten om wat te zeggen van de overlast en ook om de verdachte te ondersteunen. De groep werd luidruchtiger en liet zich niet tot de orde roepen. De verdachte wilde weggaan, maar het slachtoffer zei dat hij moest blijven om met zijn ouders te praten.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte desondanks samen met de getuige [getuige 4] is weggelopen in de richting van de woning van de verdachte. De groep verplaatste zich volgens de getuige [getuige 4] ook naar de voordeur van de woning van de verdachte. Wanneer de verdachte en de getuige [getuige 4] voor de deur van de woning staan, komt de moeder van het slachtoffer, [persoon A] , daar naartoe gelopen. Zij is vervolgens ook verbaal aanwezig tegen de verdachte en had een staaf of een buis in haar hand, die zij achter haar rug hield. De echtgenote van de verdachte, [persoon B] , komt vervolgens naar buiten toe. De getuige [getuige 2] , echtgenoot van [persoon A] , tevens de vader van het slachtoffer, is inmiddels ook ter plaatse aanbeland.
Het gros van de getuigen voornoemd verklaart dat [persoon A] de verdachte hierop als eerste met haar hand slaat, wat zijzelf ontkent te hebben gedaan.
De verklaringen van voornoemde personen lopen hierna uiteen als het gaat om het antwoord op de vraag wat er tijdens de ruzie verder is voorgevallen, in welke volgorde wat gebeurde en waar eenieder die zich niet onbetuigd liet stond. Wat door voornoemde personen zelf is waargenomen of later mogelijk door hen is ingevuld, al dan niet aan de hand van door anderen verkregen informatie, is evenmin telkens duidelijk.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verdachte is geweest die de steekverwonding heeft toegebracht aan het slachtoffer.
Er zijn drie getuigen die belastend verklaren over het steken met een mes in het lichaam van slachtoffer door de verdachte. De rechtbank zet hun verklaringen hieronder op een rij:
1. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard:
“A: (…) Toen haalde hij uit. Ik zag dat hij zijn rechterarm naar achter deed en ik dacht dat hij mij ging slaan. Ik zag toen dat hij heel hard met zijn rechterarm naar mij toe kwam. Ik hoorde dat er een scheur in mijn jas kwam. Ik voelde op dat moment nog niets. Daarna, toen hij zijn arm terug trok, zag ik dat hij een mes in zijn hand had. Ik zag dat het mes ongeveer 10 centimeter lang was en de hoogte/breedte was ongeveer 3 centimeter. Ik zag dat het lemmet een zilveren glans had. Ik gaf hem toen een duw en sprong gelijk naar achter want ik werd bang van het mes. Ik wilde zo ver mogelijk van het mes af zijn en liep naar mijn broer. Toen voelde ik het bloed stromen en wist ik dat ik gestoken was. (…)
V: En waar stond jouw moeder op het moment dat jij werd gestoken?
A: Zij stond vlak achter mij.
V: En jouw broer?
A: Ik weet niet precies wat hij heeft gedaan of heeft gestaan. (...)
V: En je vader?
A: Die stond iets verder, hij stond namelijk eerst naar mijn moeder te kijken. Op het moment dat ik werd gestoken stond hij volgens mij weer achter mijn moeder.”
2. De getuige [getuige 1] heeft in zijn eerste verklaring verklaard:
“
V: Met wie stonden zij? Die ouders, [naam 1] en wie nog meer?
A: De buurman van de dader die stond er ook bij (…) [naam 1] stond bij zijn vader. De moeder stond tegen de dader te praten. Toen kwam ze heel dichtbij. Toen zei hij iets waardoor die moeder de dader heeft geslagen. (…)
V: En toen?
Toen sloeg de dader tegen het gezicht van de moeder van [naam 1] . Toen werd het vechten. Toen zag ik dat [naam 1] op de dader sprong. Toen werd [naam 1] gestoken.
V: Hoe wist je dat [naam 1] gestoken werd?
Ik zag dat de dader een voorwerp in zijn hand had en dat hij [naam 1] raakte met een beweging. Ik wist niet zeker dat hij echt gestoken had omdat [naam 1] een jas aanhad.
V: op welke afstand stond je toen je dit zag gebeuren?
Op 2 meter. Ter hoogte van het huis van de dader.
Hoe zag het mes eruit?
A: Een zilver keukenmes van Jumbo maar dan een stuk kleiner. Ik denk 15 tot 20 cm.”
De getuige [getuige 1] heeft in zijn tweede verklaring verklaard:
“
V: (…)
-
(…) Ik zag dat [naam 1] op dat moment over de bosjes sprong. Hij pakte de dader en trok hem naar achteren [naam 1] stond daarna voor de dader en werd [naam 1] gestoken. Ik zag dat de dader een mes in zijn rechterhand had. Ik zag dat de dader [naam 1] bij zijn ribben stak. (…)
V: Je zeg ik zag toen dat de man [naam 1] gestoken heeft in zijn borst. Later zeg jij dat de verdachte een voorwerp in zijn handen had en [naam 1] raakte in een beweging. Het komt op ons over dat je daar niet helemaal zeker van bent. Hoe zit dat.
-
Ik zag dat de dader een mes pakte uit zijn jaszak. Ik zag dat hij een beweging met zijn rechterhand, van achter naar voren maakte en vervolgens zag ik dat [naam 1] onder zijn borst werd gestoken. Ik zag dat de dader na het steken, het mes terug trok en omhoog hield.”
3. De getuige P. [slachtoffer] heeft verklaard:
“
Hierna zag ik zag ik dat de buurman van nummer [huisnummer X] en [naam 2] ineens uit elkaar stapten, ze stonden toen zo’n anderhalve meter van elkaar af. (…)
Ik zag dat [naam 1] over de heg heen sprong en hij pakte die buurman van nummer [huisnummer X] beet omdat deze zijn moeder aanviel. Volgens mij pakte [naam 1] de buurman van [huisnummer X] vast bij zijn bovenarmen. Ik hoorde [naam 1] zeggen ‘je gaat toch niet mijn moeder aanvallen’. Ik zag dat de buurman niks terug zei en niks terug deed in de richting van [naam 1] . Ik ging ervan uit dat [naam 1] de buurman weg had geduwd.
Ik wilde ook gaan regeren (de rechtbank begrijpt: reageren) en me ermee bemoeien en zag toen dat de buurman van nummer [huisnummer X] een mes had in zijn jaszak van zijn donkere jas. Ik zag dat de buurman dit mes beet had in zijn linkerhand. Ik zei toen meteen verbaasd 'what the fuck, heb je nou gewoon een mes?'. Ik had voordat ik mes zag, niet door dat het al uit de hand was gelopen. (...) Ik keek toen om naar [naam 1] en zag dat [naam 1] gestoken was in zijn zij. Ik hoorde [naam 1] zeggen 'ik ben gestoken' en ik zag dat zijn witte shirt onder het bloed zat. Ik zag dat de buurman van [huisnummer X] achteruit wegliep en dat hij het mes met zijn linkerhand wegstopte in zijn linker jaszak. (...)
U vraagt mij of ik het mes kan beschrijven wat de buurman van nummer [huisnummer X] vast had?
Het leek een soort keukenmes, het leek alsof er op het lemmet van het mes een soort versiering/ bewerking zat. Ik schat het lemmet zo'n 15 centimeter lang. Ik kan niet zeggen hoe het heft van het mes eruit zag, hier zat de hand omheen van de buurman waardoor ik alleen het lemmet heb kunnen zien.”
Tegenover deze belastende verklaringen, waarbij voor de getuige [getuige 1] geldt dat hij in tweede instantie een meer stellige en meer belastende verklaring heeft afgelegd, staan de volgende ontlastende verklaringen dan wel onderzoeksbevindingen.
De verdachte heeft ontkend het slachtoffer te hebben verwond. Hij heeft verklaard dat hij toen en daar geen mes bij zich heeft gehad. In zijn verhoren heeft hij vrijelijk verklaard over de gang van zaken op de bewust avond, welke verklaringen op de hoofdlijnen bevestiging vinden in voornoemde melding bij de politie en de verklaringen van de getuige [getuige 4] . De verdachte heeft daarbij uitgelegd waarom hij is weggerend bij de ruzie voor zijn woning, nadat hij naar zijn echtgenote vanwege de gewelddadigheden had geroepen naar binnen te gaan en dat hij terwijl hij zich al uit de voeten maakte, hoorde roepen dat iemand was gestoken. Hij heeft verklaard naar zijn neef (die later [persoon C] bleek te zijn) te zijn gerend, die in de onmiddellijk omgeving woont en dat hij niet lang daarna weer terug is gegaan naar de plaats delict toen hij sirenes hoorde. Dit deel van zijn verklaring is door de neef tegenover de politie bevestigd. Dit strookt ook met het gegeven dat circa 10 minuten na de melding dat er bij een burenruzie was waarbij geroepen was dat iemand was gestoken, de verdachte op aanwijzen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] is aangehouden als verdachte. Desgevraagd door de politie bij zijn aanhouding had hij geen wapen om uit te leveren en bij zijn fouillering is geen steekwapen aangetroffen. Voorts heeft het politieonderzoek geen resultaat met betrekking tot het mes dat gebruikt zou zijn tegen het slachtoffer opgeleverd.
De jas die de verdachte op het moment van zijn aanhouding droeg (waarbij de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier heeft kunnen vinden voor een verwisseling daarvan) is onder hem in beslag genomen. Bij visueel onderzoek aan de jas met behulp van wit licht werden geen op bloed lijkende sporen waargenomen. De separate bemonstering van de binnenzijde van de linker en de binnenzijde van de rechter jaszak die aan een forensisch onderzoek naar biologische sporen met gebruikmaking van een presumptieve bloedtest zijn onderworpen, leverde geen indicatie op voor de aanwezigheid van bloed. Afgezet tegen de verklaring van getuige [getuige 2] , zoals hierboven weergegeven, is dat opvallend te noemen.
De bemonstering van het nagelvuil van de verdachte, dat onderzocht is op humaan biologisch celmateriaal, leverde bij een vergelijking met de profielen van de verdachte en van het slachtoffer als mogelijke donor van het DNA-profiel dat in de bemonstering is aangetroffen, vooralsnog alleen de verdachte als mogelijke donor van DNA op.
De rechtbank hecht eraan ook overigens twee punten op te werpen. Uit de verklaring van de getuige [getuige 5] volgt dat de politie in haar aanwezigheid heeft gesproken met de getuige [getuige 6] (niet zijnde de getuige [getuige 4] ), die ook aanwezig was bij de woning van de verdachte ten tijde van het steekincident. Naast het feit dat hiervan geen proces-verbaal is opgenomen in het dossier, verbaast het horen van getuigen in elkaars aanwezigheid. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] op 8 april 2025 tijdens het schonen van de woning door de politie tijdelijk bij elkaar zijn gezet, zodat zich gedurende enige tijd de mogelijkheid heeft voorgedaan om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Uit het einddossier volgt verder niet (goed) waarom de keuze is gemaakt bepaalde getuigen auditief te horen en anderen niet en evenmin waarom slechts aan twee getuigen die bij de ruzie voor de deur van de woning van de verdachte aanwezig waren, is verzocht om een situatieschets te maken. Ten tweede kan de rechtbank de opmerking van de verdediging onderschrijven dat het bevreemdt dat anderen die ter plaatse waren niet zijn gefouilleerd en direct door de politie als getuigen zijn beschouwd, terwijl er toch een ernstig handgemeen gaande was geweest, waarbij er ook aanwijzingen bestonden voor de omstandigheid dat de verdachte de onderliggende partij betrof.
Dit alles brengt met zich dat de rechtbank van oordeel is dat door haar niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die het mogelijke steekletsel aan het slachtoffer heeft toegebracht.
Dit maakt dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de beschuldiging.