Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3516

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
11402015 CV EXPL 24-28389
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 6:193b BWArt. 6:193j BWArt. 3:53 BWArt. 6:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging consumentenkredietovereenkomst wegens niet-naleving precontractuele informatieplicht

Defam B.V. vordert betaling van een openstaande lening van €10.317,91 plus rente en kosten van [gedaagde], die meerdere termijnen niet betaalde. De kredietovereenkomst betreft een persoonlijke lening met een rente van 5,5% per jaar en een looptijd van 60 maanden. De kantonrechter toetst ambtshalve of Defam heeft voldaan aan haar precontractuele informatieverplichtingen onder artikel 7:60 lid 1 BW Pro.

Defam kon geen gepersonaliseerd ESIC-formulier overleggen, waardoor niet kon worden vastgesteld of aan de informatieplicht was voldaan. Dit leidt tot de conclusie dat de kredietovereenkomst een oneerlijke handelspraktijk inhoudt en daarom vernietigbaar is. De overeenkomst wordt ambtshalve vernietigd zonder nadelige gevolgen voor [gedaagde].

Door de vernietiging ontstaat een situatie van onverschuldigde betaling, zodat [gedaagde] de hoofdsom van €7.096,10 moet terugbetalen, verminderd met reeds betaalde termijnen. Rente en kosten uit de overeenkomst zijn niet verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf vijftien dagen na betekening van het vonnis. Proceskosten van €1.525,38 worden aan [gedaagde] opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kredietovereenkomst wordt vernietigd en [gedaagde] moet de hoofdsom van €7.096,10 terugbetalen zonder rente en kosten, met wettelijke rente vanaf vijftien dagen na betekening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11402015 CV EXPL 24-28389
datum uitspraak: 13 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Defam B.V.,
vestigingsplaats: Bunnik,
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder G.J. Timmermans,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Defam’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Defam eist dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan haar € 10.317,91 te betalen, met rente en proceskosten, zoals in de dagvaarding van 24 oktober 2024 staat. Ook eist zij dat de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
1.2.
[gedaagde] heeft gereageerd op de dagvaarding. Defam heeft nog een conclusie van repliek genomen, waarop [gedaagde] niet meer heeft gereageerd.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Defam en [gedaagde] hebben een kredietovereenkomst gesloten, op basis waarvan Defam aan [gedaagde] een persoonlijke lening van € 10.000,- heeft verstrekt. In de kredietovereenkomst staat dat de (vaste) rente 5,5% per jaar bedraagt, dat de looptijd van de lening 60 maanden is en dat [gedaagde] elke maand € 190,40 aan aflossing en rente aan Defam moet betalen. [gedaagde] heeft meerdere termijnbedragen niet op tijd betaald. Daarom heeft Defam de kredietovereenkomst opgezegd en het openstaande kredietbedrag vervroegd opgeëist. Zij eist in deze procedure € 10.317,91 plus de contractuele rente van 0,447% per maand vanaf 3 oktober 2024.
2.2.
[gedaagde] heeft niet aangegeven dat de eis niet klopt. Hij kan het bedrag alleen niet in één keer betalen en wil met de deurwaarder een betalingsregeling treffen.
Ambtshalve vernietiging kredietovereenkomst
2.3.
De vordering is gebaseerd op een consumentenkredietovereenkomst (afdeling 2A van boek 7 BW). De kantonrechter moet daarom ambtshalve toetsen of Defam heeft voldaan aan haar (precontractuele) informatieverplichtingen en op welke wijze zij de kredietwaardigheid van [gedaagde] heeft getoetst.
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat Defam niet heeft voldaan aan haar precontractuele verplichting, zoals geregeld in artikel 7:60 lid 1 BW Pro. Defam stelt dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een zogenoemd ESIC-formulier aan [gedaagde] heeft toegestuurd, maar dat het voor haar niet mogelijk is om het gepersonaliseerde formulier te overleggen. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen welke informatie op het ESIC-formulier stond en of die informatie voldeed aan de vereisten. Vanwege de ontoereikende onderbouwing van Defam gaat de kantonrechter er daarom van uit dat Defam de verplichting van artikel 7:60 lid 1 BW Pro niet heeft nageleefd.
2.5.
Het niet naleven van de verplichting van artikel 7:60 lid 1 BW Pro levert volgens artikel 7:60 lid 3 BW Pro een oneerlijke handelspraktijk op als bedoeld in artikel 6:193b BW. Artikel 6:193j lid 3 BW bepaalt vervolgens dat een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, vernietigbaar is. De kantonrechter vernietigt dan ook ambtshalve de kredietovereenkomst. Omdat deze vernietiging geen nadelige gevolgen voor [gedaagde] heeft, ziet de kantonrechter geen aanleiding om hem in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vernietiging van de overeenkomst.
[gedaagde] moet een hoofdsom van € 7.096,10 betalen
2.6.
Door de terugwerkende kracht van de vernietiging (artikel 3:53 BW Pro) is sprake van een situatie waarin het geldbedrag dat Defam aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld (de kredietsom) zonder rechtsgrond is verstrekt. Daarom moet [gedaagde] de kredietsom terugbetalen op grond van artikel 6:203 BW Pro (onverschuldigde betaling), uiteraard slechts voor zover dat bedrag niet al terugbetaald is. Verder geldt dat [gedaagde] geen rente en kosten op grond van de (vernietigde) kredietovereenkomst verschuldigd is (geworden). Voor zover al bedragen aan rente en kosten zijn betaald, strekken zij in mindering op de terug te betalen kredietsom. Omdat [gedaagde] volgens de opgave van Defam bij de dagvaarding (productie 8) € 2.903,90 had terugbetaald (tien keer een termijn van € 190,39 en vier keer € 250,-), moest hij op het moment van dagvaarden nog € 7.096,10 aan Defam betalen (€ 10.000,- -/- € 2.903,90). Dit bedrag wordt toegewezen.
2.7.
De kantonrechter kan geen betalingsregeling vaststellen in dit vonnis. Daarvoor moet Defam namelijk toestemming geven en dat heeft Defam niet gedaan (artikel 6:29 BW Pro). [gedaagde] kan wel contact opnemen met de gemachtigde van Defam om te vragen of Defam alsnog een betalingsregeling wil afspreken.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
2.8.
De subsidiair gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend. Pas door de vernietiging van de overeenkomst is de vordering uit onverschuldigde betaling ontstaan, zodat de rente niet eerder dan de datum van dit vonnis kan worden toegewezen. [gedaagde] is op dit moment echter nog niet in verzuim. De kantonrechter geeft [gedaagde] nog een termijn van veertien dagen om aan dit vonnis te voldoen. [1]
Verdere ambtshalve toetsing
2.9.
De kantonrechter heeft verder onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
2.10.
Tot slot heeft de kantonrechter onderzocht of eiseres de kredietwaardigheid van gedaagde voldoende heeft getoetst. Dat is het geval.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Defam moet betalen op € 137,38 aan dagvaardingskosten, € 524,- aan griffierecht, € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.525,38. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Defam dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend aan Defam te betalen € 7.096,10 en als [gedaagde] dit niet doet moet hij over dit bedrag de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro betalen vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Defam worden begroot op € 1.525,38;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
51909

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5408