Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het verzoekschrift (ontvangen op 23 oktober 2025), met bijlagen;
- het verweerschrift, met bijlagen;
- de spreekaantekeningen van [naam B.V.] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert [naam B.V.] een verlenging van de ontruimingstermijn van haar gehuurde bedrijfsruimte tot 1 september 2026, omdat zij ondanks inspanningen geen vervangende ruimte heeft gevonden en haar onderneming gebaat is bij continuïteit op de huidige locatie.
Verhuurder Rivium verzet zich tegen deze verlenging en beroept zich op de noodzaak om het pand te upgraden en opnieuw te verhuren tegen een marktconforme huurprijs. Tevens stelt zij dat huurder zich niet als slecht huurder heeft gedragen en dat er geen sprake is van wanbetaling die tot afwijzing zou leiden.
De kantonrechter oordeelt dat geen verplichte afwijzingsgrond aanwezig is, zoals wanbetaling of ernstige overlast. Het enkele incident van vermeende laster wordt onvoldoende geacht om slecht huurderschap aan te nemen. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van verhuurder om het pand te upgraden en vrij te krijgen zwaarder weegt dan het belang van huurder bij verlenging van de ontruimingstermijn.
Huurder heeft voldoende tijd gehad om alternatieve huisvesting te vinden, maar heeft de lat te hoog gelegd door alleen te zoeken naar vergelijkbare grootte en huurprijs. Het aanbod van verhuurder voor een vervangende ruimte is afgewezen vanwege hogere huurprijs en vermeende onzekerheid.
De kantonrechter wijst het verzoek af, stelt de ontruiming vast op 20 april 2026 en veroordeelt huurder in de proceskosten. Het subsidiaire verzoek tot vaststelling van een hogere gebruiksvergoeding wordt niet behandeld.
Uitkomst: Verzoek tot verlenging ontruimingstermijn afgewezen, ontruiming vastgesteld op 20 april 2026.