ECLI:NL:RBROT:2026:3524

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604486:R-RK en NL:TZ:2604487:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en schorsing ontruiming huurwoning voor drie maanden

Verzoeker heeft op 20 februari 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 284 en Pro 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning zou schorsen. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege een vonnis tot ontruiming en een exploot dat de ontruiming op 24 februari 2026 aankondigde.

Verzoeker ontvangt een WW-uitkering van circa €2.500 per maand, waarmee hij de huur van €780,53 kan betalen. Betalingen over januari, februari en maart 2026 zijn gedaan, zij het deels te laat. De beschermingsbewindvoerder is recent overgedragen en zal zorgdragen voor tijdige huurbetalingen.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. Omdat reeds een moratorium van drie maanden was toegekend op 23 februari 2026, kan de voorziening niet voor zes maanden worden toegekend, maar wordt deze verlengd met drie maanden onder de voorwaarde van tijdige betaling.

Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het lopende traject. De voorziening geldt onder meer zolang de huurbetalingen tijdig worden voldaan en schuldhulpverlening verslag uitbrengt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schorst de ontruiming van de huurwoning voor drie maanden onder voorwaarden van tijdige huurbetaling en voortgang schuldhulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummers: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 26 maart 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 20 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 23 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 maart 2026.
Ter zitting van 19 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw D. van Barneveld, beschermingsbewindvoerder.
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De beschermingsbewindvoerder heeft de rechtbank op donderdag 19 maart 2026 nadere informatie doen toekomen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen. Aan het verzoek is het volgende ten grondslag gelegd.
Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij inkomsten uit een WW-uitkering ontvangt van ongeveer € 2.500,00 per maand. Dit inkomen is voldoende om maandelijks de huur van
€ 780,53 te voldoen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij de huur van januari, februari en maart 2026 heeft betaald. De beschermingsbewindvoerder heeft na de zitting betalingsbewijzen opgestuurd waaruit blijkt dat op 11 februari en 9 maart 2026 de huur is betaald. Daarnaast is het beschermingsbewind met ingang van 20 februari 2026 overgedragen aan de huidige beschermingsbewindvoerder.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 10 februari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 december 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft een inkomen uit WW-uitkering van € 2.500,00. Dit is voldoende om de huur van € 780,53 te voldoen. Op
11 februari 2026 en 9 maart 2026 is de huur voor de maanden februari en maart 2026 (weliswaar te laat) betaald. Verzoeker heeft sinds 20 februari 2026 zijn huidige beschermingsbewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder zal, zodra alles geregeld is, zorg dragen voor de volledige en tijdige huurbetaling. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
Verzoeker heeft voor een termijn van zes maanden een voorlopige voorziening gevraagd. Dit kan niet worden toegewezen, omdat reeds op 23 februari 2026 eenzelfde verzoek voor een periode van drie maanden is toegewezen. Uit artikel 287b lid 5 Fw volgt dat een dergelijke voorziening voor een maximale periode van zes maanden kan worden uitgesproken. De rechtbank zal de voorziening daarom voor een periode van (nogmaals) drie maanden uitspreken.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 december 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden vanaf
23 februari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.