Verzoeker heeft op 23 februari 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt tot ontruiming van zijn woonruimte over te gaan. Verzoeker stelde dat hij zijn huur vanaf oktober 2025 maandelijks betaalt en dat verweerster op de hoogte is van de betalingswijze. Tevens is een beschermingsbewind aangevraagd en zou een schuldhulpverleningstraject worden heropend.
Verweerster betoogde dat verzoeker eerder al een schuldhulpverleningstraject had stopgezet wegens gebrek aan medewerking, waardoor stabilisatie en budgetbeheer niet mogelijk waren. De rechtbank constateerde een bedreigende situatie vanwege een proces-verbaal tot ontruiming en een exploot dat ontruiming aankondigt.
De rechtbank overwoog dat het moratorium bedoeld is om een schuldenaar een adempauze te geven om schulden te regelen, maar dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoeker de gevraagde periode nodig heeft. Het eerdere schuldhulpverleningstraject werd beëindigd wegens gebrek aan medewerking en er is geen intakegesprek bij de beschermingsbewindvoerder gepland.
Daarom weegt het belang van verweerster zwaarder en wordt het verzoek afgewezen. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.