ECLI:NL:RBROT:2026:3526

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604602:R-RK en NL:TZ:2604604:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening moratorium en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft op 23 februari 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt tot ontruiming van zijn woonruimte over te gaan. Verzoeker stelde dat hij zijn huur vanaf oktober 2025 maandelijks betaalt en dat verweerster op de hoogte is van de betalingswijze. Tevens is een beschermingsbewind aangevraagd en zou een schuldhulpverleningstraject worden heropend.

Verweerster betoogde dat verzoeker eerder al een schuldhulpverleningstraject had stopgezet wegens gebrek aan medewerking, waardoor stabilisatie en budgetbeheer niet mogelijk waren. De rechtbank constateerde een bedreigende situatie vanwege een proces-verbaal tot ontruiming en een exploot dat ontruiming aankondigt.

De rechtbank overwoog dat het moratorium bedoeld is om een schuldenaar een adempauze te geven om schulden te regelen, maar dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoeker de gevraagde periode nodig heeft. Het eerdere schuldhulpverleningstraject werd beëindigd wegens gebrek aan medewerking en er is geen intakegesprek bij de beschermingsbewindvoerder gepland.

Daarom weegt het belang van verweerster zwaarder en wordt het verzoek afgewezen. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening moratorium wordt afgewezen en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 26 maart 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende op een geheim adres,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 23 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 maart 2026.
Ter zitting van 19 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat).
Mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens Stichting Lek en Waard, gevestigd te Nieuw-Lekkerland (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De advocaat heeft op 25 maart 2026 een stand van zaken aan de rechtbank doen toekomen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen. Aan het verzoek is het volgende ten grondslag gelegd.
De advocaat heeft ter zitting een betalingsbewijs van de maand maart 2026 overgelegd. De huur voor maart 2026 is betaald op 8 maart 2026. Verzoeker heeft verklaard dat verweerster hiervan op de hoogte is, hij moet namelijk zijn inkomsten op de 1e van de maand doorgeven aan het UWV en een week later krijgt hij uitbetaald. Verzoeker is dus niet in staat om vóór de 1e van de maand de huur te betalen. De advocaat verklaart dat verweerster hiervan op de hoogte is en wijst erop dat verweerster ook niet in haar verweerschrift benoemd heeft dat de huur te laat betaald wordt. Verzoeker ontvangt inkomen uit Ziektewet-uitkering van
€ 1.440,26. Dit is voldoende om de huur van € 660,69 te voldoen. De huur wordt vanaf
8 oktober 2025 maandelijks betaald.
De advocaat gaat ter zitting eveneens in op het ingediende verweer. Verzoeker heeft een verzoek beschermingsbewind ingediend bij Van den Bosse Bewindvoering. De advocaat heeft een medewerker van het bewindvoerderskantoor gesproken en telefonisch bevestigd gekregen dat er op korte termijn een intakegesprek staat en dat daarna een spoedverzoek tot onderbewindstelling ingediend zou worden. Daarnaast heeft schuldhulpverlening inderdaad het eerdere traject stopgezet wegens een gebrek aan medewerking van verzoeker, maar is er besloten om het dossier opnieuw te activeren nu verzoeker zich gemeld heeft bij beschermingsbewind.
De advocaat schrijft in zijn e-mail van 25 maart 2026 dat hij van de bewindvoerder nog geen datum heeft ontvangen voor de intake. Hij heeft wel van de schuldhulpverlening vernomen; het schuldhulpverleningstraject is toch door de gemeente beëindigd. De advocaat heeft hier bezwaar tegen gemaakt en hij heeft een voorlopige voorziening aangevraagd.

3.Het verweer

Verweerster verzoekt de rechtbank het verzoek voor een voorlopige voorziening af te wijzen, dan wel verkorting van de termijn van het moratorium. Verzoeker heeft op
23 februari 2026 een ‘aanmelding schulddienstverlening’ ingediend bij Avres. Avres heeft verzoeker telefonisch geïnformeerd op 24 februari 2026 en daarna ook schriftelijk op
11 maart 2026 dat deze aanmelding niet in behandeling kon worden genomen in verband met een al lopend dossier. Verzoeker had zich namelijk op 6 juni 2025 al aangemeld. Het is voor verzoeker destijds niet gelukt om een schulddienstverleningstraject te starten en dit is geheel te wijten aan verzoeker. Hij verscheen niet op afspraken, hij leverde stukken niet aan en hij kwam afspraken niet na waardoor stabilisatie en budgetbeheer niet van de grond konden komen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2025 heeft overgelegd waarin staat dat tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker overgegaan mag worden indien verzoeker zich niet aan de afspraken uit het proces-verbaal houdt. Daarnaast heeft verzoeker een kopie van het exploot van 10 februari 2026 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 4 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 12 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoeker de verzochte periode nodig heeft om een minnelijk schuldhulpverleningstraject te doorlopen. Het eerdere traject van 20 juni 2026 is beëindigd wegens gebrek aan medewerking van verzoeker. De advocaat van verzoeker heeft ter zitting verklaard dat dit traject opnieuw opgestart zou worden, maar uit zijn e-mail van 25 maart 2026 blijkt dat de gemeente hem bericht heeft dat de schuldhulp toch beëindigd is. Daarnaast is nog altijd geen datum voor een intakegesprek bij de beschermingsbewindvoerder bekend. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.