Mevrouw verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 12 februari 2026, waarbij ook de schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat mevrouw verzoekster geen poging tot buitengerechtelijke schuldregeling heeft gedaan, maar dat dit in haar situatie niet mogelijk is vanwege een onoverzichtelijke schuldenlast en wisselende namen en adressen. Daarom is zij ontvankelijk in haar verzoek. Tevens voldoet zij aan de voorwaarden voor toelating tot de Wsnp, waaronder het zijn van een problematische schuldenaar en te goeder trouw zijn bij het ontstaan van de schulden.
De rechtbank stelt de duur van de Wsnp-regeling vast op 18 maanden, ingaand op 26 februari 2026, zonder een eerdere ingangsdatum toe te kennen. Er wordt een bewindvoerder en een rechter-commissaris benoemd die toezicht houden op de naleving van de verplichtingen. De rechtbank wijst erop dat bij succesvolle afronding van het traject de schuldenaar een schone lei krijgt.
Het verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind is aangehouden tot 1 mei 2026. De rechtbank heeft vertrouwen dat mevrouw verzoekster zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.