ECLI:NL:RBROT:2026:358

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711165 / JE RK 25-2511
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onderzoek naar ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 7 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht betreffende de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2024. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de situatie van de moeder, die belast is met het ouderlijk gezag. De moeder verblijft momenteel in een pleeggezin en er zijn zorgen over haar emotionele en fysieke beschikbaarheid, evenals haar leer- en inlevingsvermogen. De Raad heeft verzocht om een ondertoezichtstelling voor twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, maar heeft dit verzoek ter zitting gewijzigd naar een machtiging voor vier weken.

De kinderrechter heeft de procedure met gesloten deuren gevoerd, waarbij de moeder werd bijgestaan door haar advocaat. De kinderrechter heeft ook bijzondere toegang verleend aan een vriendin van de moeder en een tolk in de taal Papiaments, aangezien de moeder de Nederlandse taal niet voldoende machtig is. De kinderrechter heeft de feiten en de zorgen over de moeder in overweging genomen, evenals de standpunten van de gecertificeerde instelling en de moeder zelf. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is en heeft deze voor een periode van zes maanden opgelegd, terwijl de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor de duur van vier weken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

De kinderrechter heeft de beslissing openbaar uitgesproken en op schrift gesteld, met de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen drie maanden hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711165 / JE RK 25-2511
Datum uitspraak: 7 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N. Bekri, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad van 3 december 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
  • het rapport van de Raad van 11 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door mr. S. van den Boogaard, waarnemend voor mr. N. Bekri;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan een [naam 3] , vriendin van de moeder.
1.4.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Papiaments, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 4] , tolk in de taal Papiaments. De kinderrechter heeft vastgesteld dat hij is beëdigd overeenkomst het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëindigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 9 oktober 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 9 januari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 21 oktober 2025 is de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 9 januari 2026.

3.Het (gewijzigde) verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad wijzigt ter zitting het verzoek naar een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken.
3.3.
De Raad handhaaft ter zitting het (gewijzigde) verzoek en licht dit als volgt toe. Er bestaan zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder, haar leer- en inlevingsvermogen en over emotieregulatieproblemen, mogelijk voortkomend uit haar licht verstandelijke beperking. De situatie van de moeder roept op dit moment nog te grote zorgen op en de moeder kan de fysieke en mentale veiligheid niet zelfstandig bieden. Voor nu is het belangrijk zicht te krijgen op een passende woonvoorziening voor de moeder met [minderjarige] . Daarnaast is therapie noodzakelijk om te onderzoeken of er trauma uit het verleden speelt en er moet prioriteit worden gegeven aan een gehechtheidsinterventie, zoals het NIKA-traject.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI geeft aan te twijfelen of de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing de juiste maatregelen zijn. De moeder werkt overal aan mee, sluit tijdens de bezoekmomenten goed aan bij [minderjarige] en neemt de gegeven tips aan. Wel is casusregie nodig, maar het wijkteam heeft hier momenteel geen capaciteit voor. Naast Timon moet aanvullende ondersteuning worden ingezet, bijvoorbeeld via video-interactie begeleiding of NIKA. Dit is echter niet mogelijk zo lang [minderjarige] niet bij de moeder verblijft, maar slechts een keer per week een bezoekmoment heeft. Hierdoor kan een hechtingstraject niet effectief worden gestart. De moeder verblijft bij Timon, en vanuit Timon wordt aangegeven dat zij goed meewerkt. De vervolgstap is om [minderjarige] met haar moeder bij Timon te laten verblijven. Dit kan worden gerealiseerd door de moeder naar een andere afdeling bij Timon te verplaatsen waar 24-uurs zorg en begeleiding mogelijk is, of door haar (voorlopig) op de huidige afdeling te laten verblijven met extra ondersteuning vanuit Timon. Deze informatie heeft de GI nog maar kort voor de zitting van Timon ontvangen. Naar verwachting is een maand voldoende om een en ander bij Timon te realiseren.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling, wel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder werkt overal aan mee en zal dit blijven doen. Na de vorige zitting heeft zij zelfstandig hulpverlening gezocht en is zij terechtgekomen bij Antes, waar op 5 maart 2026 een intake gepland staat. Dit geeft blijk van haar wens hulp te ontvangen en actief aan zichzelf te werken. Een uithuisplaatsing kan leiden tot een kloof tussen de moeder en [minderjarige] , met het risico op oudervervreemding en hechtingsproblematiek. Indien desondanks een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend, wordt verzocht te onderzoeken of een netwerkplaatsing mogelijk is, aangezien de Raad hier niet actief naar heeft gezocht. De moeder geeft aan dat plaatsing bij haar vriendin, [naam 3] , gewenst is, omdat dit een vertrouwde omgeving is voor [minderjarige] en zowel [minderjarige] als de moeder een goede band met haar hebben. Bovendien wenst de moeder bij een eventuele uithuisplaatsing dagelijks contact en drie bezoekmomenten per week, aangezien een bezoekmoment per week onvoldoende is om een plan te maken en hulpverlening effectief in te zetten.

6.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] is een jong meisje die op 9 oktober 2025 voorlopig onder toezicht is gesteld en met spoed uit huis is geplaatst vanwege fysieke en verbale onveiligheid in de opvoedomgeving van de moeder. Bovendien zijn er zorgen over de fysieke en emotionele beschikbaarheid van de moeder, haar leervermogen en zorgen over haar emotieregulatie. De moeder heeft aangegeven open te staan voor hulpverlening en heeft ook zelfstandig hulp gezocht. Desondanks kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen binnen het vrijwillige kader. Ter zitting is door de GI meegedeeld dat het wijkteam momenteel geen capaciteit heeft om de benodigde casusregie te voeren, terwijl deze regie wel noodzakelijk is. Het is daarom van belang dat een jeugdbeschermer de regie voert en de noodzakelijke hulpverlening inzet. Zodra deze hulpverlening voldoende is geborgd, kan overdracht naar het vrijwillige kader plaatsvinden.
6.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter acht een periode van zes maanden voldoende om de nodige hulpverlening op te starten en wijst het overige verzochte af.
Machtiging tot uithuisplaatsing
6.4.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] . Sinds [minderjarige] in het pleeggezin verblijft, verblijft de moeder alleen bij Timon. Waar Timon eerder aangaf dat terugplaatsing van [minderjarige] niet mogelijk was vanwege veiligheidsrisico’s, is Timon inmiddels bereid de moeder en [minderjarige] samen te laten verblijven met aanvullende ondersteuning en toezicht. Dit is echter nog niet volledig georganiseerd. Het is daarom in het belang van [minderjarige] dat zij in het pleeggezin verblijft, totdat deze situatie voldoende is ingericht. Indien de plaatsing van de moeder met [minderjarige] voor afloop van vier weken gerealiseerd kan worden, is het niet nodig dat de volledige duur van de machtiging wordt benut. Het belang van [minderjarige] brengt met zich dat zij, zodra dit veilig en verantwoord mogelijk is, bij haar moeder kan verblijven.
6.5.
Het restant van het verzoek voor een machtiging uithuisplaatsing wordt door de Raad niet langer gehandhaafd, waardoor de gronden van dit deel niet kunnen worden onderzocht. Dit deel zal daarom worden afgewezen.
6.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 7 januari 2026 tot 7 juli 2026;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 januari 2026 tot 4 februari 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 15 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.