Op 7 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht betreffende de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2024. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de situatie van de moeder, die belast is met het ouderlijk gezag. De moeder verblijft momenteel in een pleeggezin en er zijn zorgen over haar emotionele en fysieke beschikbaarheid, evenals haar leer- en inlevingsvermogen. De Raad heeft verzocht om een ondertoezichtstelling voor twaalf maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, maar heeft dit verzoek ter zitting gewijzigd naar een machtiging voor vier weken.
De kinderrechter heeft de procedure met gesloten deuren gevoerd, waarbij de moeder werd bijgestaan door haar advocaat. De kinderrechter heeft ook bijzondere toegang verleend aan een vriendin van de moeder en een tolk in de taal Papiaments, aangezien de moeder de Nederlandse taal niet voldoende machtig is. De kinderrechter heeft de feiten en de zorgen over de moeder in overweging genomen, evenals de standpunten van de gecertificeerde instelling en de moeder zelf. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is en heeft deze voor een periode van zes maanden opgelegd, terwijl de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor de duur van vier weken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
De kinderrechter heeft de beslissing openbaar uitgesproken en op schrift gesteld, met de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen drie maanden hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Den Haag.