Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3600

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
12126316 VV EXPL 26-127
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling dwangsommen en uitleg veroordeling wedertewerkstelling in kort geding

Eiser, werkzaam als shiftmanager bij Chane Terminal Botlek B.V., werd in november 2025 op non-actief gesteld. In een eerder kort geding van 12 februari 2026 werd Chane veroordeeld tot wedertewerkstelling van eiser, het versturen van een rectificatie en het niet hinderen van zijn werkzaamheden voor de ondernemingsraad, met oplegging van dwangsommen.

Eiser vordert in deze procedure onder meer de bevestiging dat dwangsommen zijn verbeurd wegens niet-naleving van het vonnis van 12 februari, verhoging van de dwangsommen, betaling van reeds verbeurde dwangsommen en onmiddellijke uitvoering van het vonnis. Chane betwist deze vorderingen.

De kantonrechter oordeelt dat de veroordeling tot wedertewerkstelling inhoudt dat partijen eerst een voorbereidend overleg moeten hebben alvorens eiser daadwerkelijk terugkeert. Gezien de reeds gevoerde gesprekken acht de rechter geen dwangsommen verbeurd op dit punt. Wel is vastgesteld dat Chane niet tijdig de rectificatie heeft verzonden, waardoor zij een dwangsom van €5.000 verschuldigd is.

De overige vorderingen, waaronder de verhoging van dwangsommen en het bevel tot nakoming van het vonnis, worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Chane wordt veroordeeld tot betaling van €5.000 aan dwangsommen wegens niet tijdig versturen van de rectificatie, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12126316 VV EXPL 26-127
datum uitspraak: 24 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M.J. Aantjes,
tegen
Chane Terminal Botlek B.V.,
vestigingsplaats: Botlek Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Schuurman.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Chane’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 5 maart 2026, met bijlagen;
  • de bijlagen van Chane;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.
1.2.
Op 10 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. [eiser] en zijn gemachtigde waren aanwezig. Namens Chane was [naam] (HR manager) aanwezig met de gemachtigde.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] vordert, samengevat:
te bepalen dat bij de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter in kort geding van 12 februari 2026 met zaaknummer 12043484 (hierna ‘vonnis van 12 februari’) geen opschortende voorwaarde geldt;
Chane te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis volledig en onvoorwaardelijk uitvoering te geven aan het vonnis van 12 februari;
te bepalen dat Chane bij overtreding van het onder b genoemde bevel - voor zover dat ziet op de veroordelingen onder 3.1 en 3.2 van het vonnis van 12 februari - na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis een dwangsom verbeurt van
€ 5.000,- per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, met een maximum van € 250.000,-;
te bepalen dat Chane bij overtreding van het onder b genoemde bevel - voor zover dat ziet op de veroordeling onder 3.4 van het vonnis van 12 februari - na betekening van in deze procedure te wijzen vonnis een dwangsom verbeurt van € 5.000,- per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, met een maximum van
€ 250.000;
vast te stellen dat Chane dwangsommen heeft verbeurd wegens niet-naleving van het vonnis van 12 februari;
Chane te veroordelen tot betaling aan [eiser] een bedrag van € 8.000,- aan verbeurde dwangsommen tot en met de dag van dagvaarding en te vermeerderen met de nadien verbeurde dwangsommen, binnen drie werkdagen na betekening van het hier te wijzen vonnis;
Chane te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, met rente;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
Chane is het niet eens met de vorderingen van [eiser] en vindt dat die moeten worden afgewezen.

3.De beoordeling

De zaak in het kort
3.1.
[eiser] werkt bij Chane in de functie van shiftmanager. Hij is in november 2025 op non-actief gesteld. [eiser] heeft in een eerdere kort geding procedure gevorderd dat Chane wordt veroordeeld hem weer toe te laten tot het werk, dat Chane een rectificatie moet versturen naar haar medewerkers en dat Chane [eiser] niet mag beperken of hinderen in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de ondernemingsraad. In een vonnis van 12 februari 2026 heeft de kantonrechter de vorderingen van [eiser] toegewezen onder oplegging van dwangsommen.
3.2.
[eiser] heeft het kort geding vonnis van 12 februari 2026 op 16 februari 2026 aan Chane laten betekenen met bevel het vonnis na te komen en met de aanzegging dat bij niet nakoming van de bevelen dwangsommen worden verbeurd.
3.3.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van de veroordeling tot wedertewerkstelling en daarmee samenhangend de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. [eiser] wil dat het kort geding vonnis wordt nagekomen. Verder wil [eiser] (onder meer) dat de dwangsommen worden verhoogd en dat Chane wordt veroordeeld tot betaling van de al verbeurde dwangsommen. Chane vindt dat alle vorderingen moeten worden afgewezen.
3.4.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af, behalve het onder f gevorderde bedrag aan dwangsommen tot een bedrag van € 5.000,- in verband met het niet plaatsen van de rectificatie. Hierna wordt dit oordeel toegelicht.
Spoedeisend belang3.5. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen gelet op stelling dat Chane het vonnis van 12 februari nog niet is nagekomen en er duidelijkheid moet komen over de veroordeling tot wedertewerkstelling.
Wedertewerkstelling
3.6.
Het verschil van mening over de uitleg van het vonnis ziet (onder meer) op de veroordeling tot wedertewerkstelling. Onder 3.1 van de beslissing staat:
“3.1. veroordeelt Chane om [eiser] binnen 48 uur na betekening van het vonnis toe te laten tot het verrichten van zijn bedongen arbeid, met toegang tot de systemen die daarbij horen, overeenkomstig zijn arbeidsovereenkomst en onder doorbetaling van zijn loon met emolumenten;”
en in rechtsoverweging 2.7:
“2.7. Dat wat hiervoor is overwogen, leidt tot het voorlopig oordeel dat geen
zwaarwegende omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de non-actiefstelling van [eiser] kunnen dragen. Omdat hij, ondanks dat zijn salaris wordt betaald, zonder meer een te rechtvaardigen belang heeft om weer aan het werk te gaan, wordt die vordering toegewezen. Zoals op zitting besproken, is duidelijk dat een terugkeer wel enige voorbereiding en gesprekken vereist. Er wordt van uit gegaan dat beide partijen zich daarvoor inspannen.”
Volgens [eiser] moet Chane hem zonder enige voorwaarde weer toelaten tot het werk. Wat de kort geding rechter onder 2.7 heeft overwogen is geen voorwaarde om weer te worden toegelaten tot het werk. Chane ziet het anders. Zij is van mening dat 2.7 niet los kan worden gezien van de veroordeling onder 3.1. Dit betekent volgens Chane dat er eerst een gesprek moet komen voordat een feitelijke werkhervatting mogelijk is.
3.7.
Het gaat hier in de kern om de vraag of Chane dwangsommen heeft verbeurd. De executierechter moet in dat geval beoordelen of de voorwaarden waaronder de dwangsom is verschuldigd, zijn vervuld, waarbij de executierechter nadrukkelijk niet tot taak heeft de door de – in dit geval – kort geding rechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De beantwoording in een executiegeschil van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, moet plaatsvinden door een toetsing van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (zie onder meer HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400). Verder geldt dat het dictum van een uitspraak moet worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen in de uitspraak die tot die beslissing hebben geleid (Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369).
3.8.
Doel en strekking van de veroordeling is dat [eiser] weer aan het werk kan omdat er - naar het voorlopige oordeel van de kort geding rechter - geen zwaarwegende omstandigheden zijn die een op non-actiefstelling rechtvaardigen. [eiser] kan in zoverre worden gevolgd dat aan de veroordeling tot wedertewerkstelling in principe geen voorwaarde is verbonden. Uit rechtsoverweging 2.7 volgt dat (voorbereidende) gesprekken nodig zijn om de wedertewerkstelling zo soepel mogelijk te laten verlopen. Rechtsoverweging 2.7 is dus niet zonder betekenis waar het gaat om de veroordeling tot wedertewerkstelling onder 3.1. van het vonnis. De kort geding rechter heeft ook nadrukkelijk overwogen dat hij ervan uitgaat dat beide partijen zich daarvoor zullen inspannen. Een en ander berust op de verklaringen van partijen die zij tijdens de zitting van 29 januari 2026 hebben gedaan en waarvan het proces-verbaal is overgelegd.
3.9.
De uitleg die aan de veroordeling onder 3.1 van het vonnis van 12 februari moet worden gegeven is dat partijen ten minste een voorbereidend overleg moeten hebben voordat [eiser] daadwerkelijk op de werkvloer kan terugkeren. Volgens [eiser] heeft er op 10 februari 2026 al een gesprek plaatsgevonden en is daarmee voldoende gesproken over een werkbare terugkeer. Dat was echter nog vóór de uitspraak van het vonnis van 12 februari. Het was nog niet bekend of de op non-actiefstelling al dan niet zou worden gehandhaafd. Dat gesprek telt daarom niet mee. Het vonnis van 12 februari is betekend op 16 februari 2026 met een bevel tot nakoming en aanzegging van de dwangsommen. Op 17 februari 2026 heeft Chane [eiser] uitgenodigd voor een gesprek. Chane heeft een gesprek onder begeleiding van een mediator voorgesteld. [eiser] wilde dit niet. Vervolgens is tussen partijen gecorrespondeerd over hoe en wanneer een gesprek zal plaatshebben. Tijdens de zitting is gebleken dat er inmiddels, voorafgaand aan de zitting op 10 maart 2026, een gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden. Dit heeft even geduurd maar er is niet gebleken dat dit een van de partijen valt aan te rekenen. Partijen hebben onder meer afgesproken dat [eiser] binnen enkele dagen het werk zal hervatten. Verdere gesprekken zullen ‘on the job’ plaatshebben.
3.10.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter betekent dit dat Chane vooralsnog geen dwangsommen heeft verbeurd wat betreft de veroordeling tot wedertewerkstelling in het vonnis van 12 februari. Het door [eiser] onder a en c gevorderde wordt daarom afgewezen. In het midden kan blijven of het onder a gevorderde een definitief karakter heeft en daarmee de vraag of een dergelijke veroordeling in kort geding mogelijk is.
Rectificatie
3.11.
Chane is ook veroordeeld tot het versturen van een rectificatie aan alle medewerkers. In het vonnis van 12 februari staat:
“3.4. veroordeelt Chane om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis een schriftelijke rectificatie te verzenden naar alle medewerkers van Chane en de Gezamenlijke Ondernemingsraad, per e-mail en door plaatsing op het internet met uitsluitend de volgende tekst:

In eerdere communicatie is de indruk gewekt dat de heer [eiser] de organisatie zou verlaten. Deze indruk is onjuist. Het dienstverband met de heer [eiser] loopt onverminderd door. Aan de vrijstelling van arbeid lag geen vastgestelde verwijtbaarheid ten grondslag.”
Chane voert aan dat partijen ook van mening verschillen over de uitleg van deze veroordeling. Volgens haar betekent de veroordeling naar de letter genomen dat de rectificatie óók naar medewerkers moet worden gestuurd die helemaal niet bekend zijn met de op non-actiefstelling. Volgens haar zou dat de reputatie van [eiser] alleen maar schaden en dus niet in het belang van [eiser] zijn.
3.12.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaat het hier niet om een uitlegkwestie. Chane maakt zich zorgen over het effect van de rectificatie en kennelijk welke gevolgen dat voor [eiser] heeft. Hieruit kan worden afgeleid dat Chane het in feite niet eens is met deze veroordeling, in die zin dat de rectificatie naar alle medewerkers moet worden gestuurd. Dat is iets anders. [eiser] heeft overigens aangevoerd dat hij juist wil dat de rectificatie naar alle medewerkers wordt gestuurd omdat hij breed bekend is binnen Chane vanwege zijn OR-voorzitterschap.
3.13.
Gelet op het voorgaande is de conclusie dat Chane na de betekening van het vonnis en de aanzegging van de dwangsommen niet aan deze veroordeling heeft voldaan, terwijl zij dat wel had moeten doen. Dit betekent dat Chane in verband hiermee dwangsommen heeft verbeurd. Het gaat om in totaal 20 dagen (vanaf 48 uur na betekening tot de dag van de zitting) maal € 250,-. Dit is een bedrag van € 5.000,-.
3.14.
De gevorderde vaststelling dat Chane dwangsommen heeft verbeurd (onder e) wordt afgewezen. Een dergelijke veroordeling heeft een definitief karakter, terwijl het in kort geding om een voorlopig oordeel gaat. Bovendien is deze vordering te algemeen en daarmee onvoldoende bepaald.
Ongehinderd uitoefenen werkzaamheden OR
3.15.
De veroordeling tot het ongestoord kunnen uitoefenen van de werkzaamheden voor de OR valt niet los te zien van de veroordeling tot toelating tot de werkvloer. In rechtsoverweging 2.8 heeft de kantonrechter namelijk overwogen:
“2.8. Omdat [eiser] weer moet worden toegelaten tot het werk, betekent dat dat hij zijn voorzitterschap van de GOR ook weer ongehinderd kan uitvoeren. De vordering die daarop ziet, hoeft dus niet apart te worden besproken. Deze wordt toegewezen.”
Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dat Chane, voor zover gevorderd, geen dwangsommen heeft verbeurd in verband met deze veroordeling. .
Verhoging dwangsommen
3.16.
Voor een verhoging van de dwangsommen, als extra prikkel, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding. Er zijn inmiddels afspraken gemaakt over terugkeer op de werkvloer en de rectificatie die moet worden verstuurd. Wat dat laatste betreft is Chane in principe gehouden aan de tekst die in het vonnis van 12 februari 2026 is genoemd. Het staat partijen uiteraard vrij om in onderling overleg de tekst van de rectificatie aan te passen.
Bevel nakoming vonnis 12 februari
3.17.
Tot slot vordert [eiser] een bevel tot nakoming van het vonnis van 12 februari (onder b). Dit wordt afgewezen wegens een gebrek aan belang.
Proceskosten
3.18.
De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld. Dit betekent dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt Chane om binnen drie dagen na de datum van deze uitspraak aan [eiser] te betalen € 5.000,-;
4.2.
compenseert de proceskosten, dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken.
540