ECLI:NL:RBROT:2026:361

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711868 / JE RK 25-2602
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onderzoek naar de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 7 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking uitgesproken over de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2025. De zaak is aangespannen door de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, die verzocht om de minderjarige onder toezicht te stellen voor een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden te verlenen. De moeder van de minderjarige, die belast is met het ouderlijk gezag, vertoont problematisch gedrag, waaronder middelengebruik en verward gedrag, wat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig bedreigt. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder momenteel niet in staat is om zelfstandig voor de minderjarige te zorgen en heeft daarom de ondertoezichtstelling voor een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden verleend. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De Raad is opgedragen om uiterlijk twee weken voor de pro forma-datum op 1 juni 2026 te rapporteren over de stand van zaken.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711868 / JE RK 25-2602
Datum uitspraak: 7 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.M. Sent, kantoorhoudende in Amsterdam,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
De kinderrechter markt als informant aan:
[naam pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad van 16 december 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
  • het rapport met bijlage van de Raad van 24 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, via een videoverbinding bijgestaan door haar advocaat;
  • de pleegmoeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 3] , de oma moederszijde.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij pleegmoeder en haar partner.
2.3.
Bij beschikking van 20 oktober 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 januari 2026.
2.4.
Bij beschikking van 28 oktober 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de pleegmoeder, verlengd tot 20 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Er bestaan zorgen over het middelengebruik van de moeder. Bovendien heeft de moeder vorige week verward gedrag vertoond. In de komende periode is het noodzakelijk om meer zicht te krijgen op de ontwikkeling van de moeder en het perspectief ten aanzien van de woonplek van [minderjarige] . Hoewel het begrijpelijk is dat de moeder wenst dat [minderjarige] weer thuis komt wonen, moet worden voorkomen dat dit te snel gebeurt en een onveilige situatie ontstaat. Gezien de huidige omstandigheden wordt een kortere duur dan de verzochte negen maanden uithuisplaatsing niet realistisch geacht.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. [minderjarige] verblijft sinds haar geboorte bij de pleegmoeder. Aanvankelijk is geprobeerd om twee tot drie contactmomenten per week tussen de moeder en [minderjarige] te realiseren, maar dit bleek al snel niet haalbaar vanwege de onveiligheid tijdens de bezoekmomenten. Hoewel de moeder veel van [minderjarige] houdt, toont zij onvoldoende vaardigheden om op een veilige manier voor [minderjarige] te zorgen. Zo heeft de moeder geprobeerd [minderjarige] een flesje te geven zonder de temperatuur te controleren en het water kokend heet was, ondersteunde zij het hoofdje van [minderjarige] niet ondanks herhaalde instructies en had zij sturing nodig bij het verschonen van de luier. De moeder heeft nog een lange weg te gaan. Bij Antes wordt onderzocht in hoeverre sprake is van psychische problematiek bij de moeder en welk deel van haar gedrag samenhangt met haar licht verstandelijke beperking. Het is onzeker of hier duidelijkheid over zal komen. De zorgmachtiging van de moeder loopt over vier weken af en de moeder is niet bereid langer bij Antes te blijven dan waartoe zij verplicht is, terwijl Antes de voorkeur geeft aan een langer verblijf. Als vervolgstap is een plaatsing van de moeder en [minderjarige] in een moeder- en kindhuis de bedoeling. Voor een aanmelding is vereist dat de moeder gedurende drie maanden abstinent is en dat moet worden aangetoond door middel van negatieve testen. Daarnaast bestaan er wachtlijsten. Gelet op deze omstandigheden is een kortere periode dan verzocht niet realistisch.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van negen maanden. De moeder wil graag verder aan zichzelf werken, maar bij een uithuisplaatsing van nog eens negen maanden ontbreekt voor haar de stip aan de horizon die zij nodig heeft. Daarom wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing te maximeren tot drie maanden, zodat op dat moment kan worden bezien wat de stand van zaken is. De moeder mag over vier weken vanuit Antes naar huis met ambulante begeleiding. De moeder wil laten zien dat het goed gaat. Zij gebruikt geen middelen meer en neemt haar medicatie in. De advocaat van de moeder heeft gisteren een brief ontvangen van twee vrienden, die hebben aangegeven dat de moeder een moeder is die veel van haar kinderen houdt en goed weet te handelen in lastige situaties. Wanneer de moeder naar huis gaat met begeleiding, is ondersteuning vanuit haar netwerk aanwezig. Verzocht wordt de advocaat van de moeder bij het proces te betrekken.

6.De informant (pleegmoeder)

6.1.
[minderjarige] verblijft sinds haar geboorte bij de pleegmoeder en haar partner, waar zij in een liefdevolle omgeving wordt opgevoed. De moeder mag altijd telefonisch informeren naar hoe het gaat met [minderjarige] . De pleegmoeder vervult een dubbelrol als vriendin van de moeder en als pleegmoeder van [minderjarige] en dat is soms lastig. Het komt voor dat de moeder tegen de afspraken in onaangekondigd (en soms midden in de nacht) voor de deur staat. De bedoeling is dat [minderjarige] uiteindelijk naar de moeder gaat, maar van de moeder wordt verwacht dat zij haar best doet om dit mogelijk te maken.

7.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] is een pasgeboren baby die op 20 oktober 2025 voorlopig onder toezicht is gesteld vanwege de zorgen over het psychisch welzijn van de moeder, haar beschikbaarheid voor [minderjarige] en haar middelengebruik. De contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] zijn teruggebracht naar eens in de twee weken omdat de omgangsmomenten onveilig verliepen, zoals uit de door de GI genoemde voorbeelden blijkt. Het is noodzakelijk dat de moeder de komende tijd aan zichzelf werkt, abstinent blijft en de haar aangeboden hulpverlening accepteert. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de problematiek van de moeder het vrijwillige kader overstijgt.
7.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
Machtiging tot uithuisplaatsing
7.4.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De moeder is vanwege haar problematiek door middel van een zorgmachtiging opgenomen bij Antes. Hoewel deze machtiging over vier weken afloopt, is de moeder de komende tijd nog niet in staat om zelfstandig voor een pasgeboren baby te zorgen, omdat de moeder na deze vier weken nog steeds aan zichzelf moet werken, moet kunnen laten zien dat zij langdurig abstinent van middelen kan zijn en psychisch stabiel is. De kinderrechter geeft de moeder in overweging om het advies van Antes op te volgen als zij adviseren dat het haar goed zou doen als haar verblijf bij Antes, op vrijwillige basis, nog langer zou moeten duren. [minderjarige] heeft een stabiele moeder nodig en het is aan de moeder om daaraan op de best mogelijke manier aan te werken.
7.5.
De kinderrechter ziet aanleiding de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlenen dan is verzocht, te weten voor de duur van zes maanden. Een termijn van drie maanden acht de kinderrechter te kort, nu de moeder pas over vier weken met begeleiding naar huis kan, zij drie maanden abstinent moet zijn en er pas dan een aanmelding kan plaatsvinden bij een moeder- en kindhuis. Een termijn van negen maanden vindt de kinderrechter te lang, gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] . Daarnaast heeft de moeder het nodig dat er een ‘stip aan de horizon’ is, waar de moeder zich op kan richten bij haar herstel. En ook daarvoor is negen maanden te lang (te ver weg). De kinderrechter realiseert zich dat het voor de moeder heel hard werken is, om mogelijk te maken dat zij binnen deze zes maanden met [minderjarige] in een moeder- en kindhuis kan worden geplaatst, of dat daar op z’n minst zicht op is.
7.6.
Het resterende deel van het verzoek zal de kinderrechter aanhouden. De Raad dient uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen pro forma-datum te rapporteren over de stand van zaken van dat moment en verdere processuele wensen, met afschrift daarvan aan de belanghebbenden. Aan de hand van deze rapportage zal de kinderrechter bezien of voor afloop van de zes maanden (voor 7 juli 2026) een nieuwe zitting nodig is. Daarvoor zullen de Raad, de GI, de moeder en haar advocaat en de informant dan worden opgeroepen.
7.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 7 januari 2026 tot 7 januari 2027;
8.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg met ingang van 7 januari 2026 tot 7 juli 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
8.4.
houdt de verdere beslissing op het verzoek aan tot
1 juni 2026 pro forma;
8.5.
bepaalt dat de Raad, de GI, de moeder en haar advocaat en de pleegmoeder op de genoemde pro forma datum niet ter zitting hoeven te verschijnen;
8.6.
verzoekt de Raad
voor 18 mei 2026de door de kinderrechter verzochte rapportage te doen toesturen met afschrift aan de GI, de moeder en haar advocaat.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 15 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.