De rechtbank Rotterdam heeft op 26 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling en wederspannigheid. De rechtbank sprak verdachte vrij van de poging tot zware mishandeling en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verklaring van een getuige kwam niet overeen met camerabeelden, waardoor onvoldoende bewijs was voor de zware mishandeling.
Wel werd verdachte schuldig bevonden aan wederspannigheid tegen een politiebrigadier, waarbij verdachte zich met geweld verzette door een ov-kaart uit de hand van de politieambtenaar te rukken terwijl haar pink vastzat in zijn mouw, wat leidde tot overstrekking van haar arm. De rechtbank kwalificeerde dit als wederspannigheid, maar achtte het niet passend een straf of maatregel op te leggen vanwege persoonlijke omstandigheden, eerdere veroordelingen en een forse overschrijding van de redelijke termijn.
De vorderingen van de benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken van het feit waarop de vorderingen waren gebaseerd of omdat de schade niet voldoende was onderbouwd. De rechtbank veroordeelde de benadeelden in de proceskosten, die echter op nihil werden begroot.
De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, met als voorzitter mr. J.F. Koekebakker en rechters mrs. J.A. Terstegge en M.A. Loenen.