ECLI:NL:RBROT:2026:3618

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
10.164111.20
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 180 SrArt. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling, schuldig zonder straf wederspannigheid politie

De rechtbank Rotterdam heeft op 26 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling en wederspannigheid. De rechtbank sprak verdachte vrij van de poging tot zware mishandeling en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verklaring van een getuige kwam niet overeen met camerabeelden, waardoor onvoldoende bewijs was voor de zware mishandeling.

Wel werd verdachte schuldig bevonden aan wederspannigheid tegen een politiebrigadier, waarbij verdachte zich met geweld verzette door een ov-kaart uit de hand van de politieambtenaar te rukken terwijl haar pink vastzat in zijn mouw, wat leidde tot overstrekking van haar arm. De rechtbank kwalificeerde dit als wederspannigheid, maar achtte het niet passend een straf of maatregel op te leggen vanwege persoonlijke omstandigheden, eerdere veroordelingen en een forse overschrijding van de redelijke termijn.

De vorderingen van de benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken van het feit waarop de vorderingen waren gebaseerd of omdat de schade niet voldoende was onderbouwd. De rechtbank veroordeelde de benadeelden in de proceskosten, die echter op nihil werden begroot.

De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, met als voorzitter mr. J.F. Koekebakker en rechters mrs. J.A. Terstegge en M.A. Loenen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging zware mishandeling, schuldig zonder straf voor wederspannigheid tegen politie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.164111.20
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Datum zitting: 12 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. A.H.J. Strak
Officier van justitie: mr. E.M. Loppé
Benadeelde partijen: [benadeelde 1] bijgestaan door mr. N. Roos (feit 1) en [benadeelde 2] (feit 2)
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van een poging tot zware mishandeling en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verdachte wordt wel veroordeeld voor wederspannigheid. De verdachte wordt schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij [slachtoffer 1] een trap in het gezicht heeft gegeven waardoor zijn oogkas is gebroken (feit 1). Dit wordt hem primair verweten als poging tot zware mishandeling en subsidiair als mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De verdachte wordt onder feit 2 beschuldigd van wederspannigheid, subsidiair ten laste gelegd als mishandeling van een ambtenaar in functie.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:
1.
hij op of omstreeks 18 januari 2020 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer 1] een (vliegende) trap op/tegen/in het gezicht/oogkas heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 18 januari 2020 te Rotterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door een (vliegende) trap op/tegen/in het gezicht/oogkas te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas ten gevolge heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Rotterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 2] brigadier van de Politie Eenheid
Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten
toen zij verdachte zijn identiteitsbewijs heeft gevorderd om zijn identiteit vast te
stellen door
  • (met kracht) zijn ov-kaart uit de hand van die [slachtoffer 2] te rukken/trekken en/of
  • (vervolgens) weg te rennen en/of (terwijl) de pink van die [slachtoffer 2] vast zat in zijn mouw waardoor haar arm overstrekte,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een pijnlijke pink en/of stijve nek bij die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;
subsidiair
hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Rotterdam, een ambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door
  • (met kracht) zijn ov-kaart uit de hand van die [slachtoffer 2] te rukken/trekken en/of
  • (vervolgens) weg te rennen en/of (terwijl) de pink van die [slachtoffer 2] vast zat in zijn mouw waardoor haar arm overstrekte.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1 primair (poging zware mishandeling) en bewezenverklaring van feit 1 subsidiair (mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg) en van feit 2 primair (wederspannigheid), met uitzondering van het tenlastegelegde lichamelijke letsel dat hiervan gevolg het gevolg zou zijn.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Vrijspraak feit 1
De officier van justitie baseert de bewezenverklaring van dit feit op de verklaring van getuige [getuige] in combinatie met de camerabeelden. Op de camerabeelden, die ook op zitting zijn bekeken, is niet te zien dat de verdachte het slachtoffer in het gezicht heeft geschopt. Dit betekent dat de rechtbank op basis van deze beelden niet kan vaststellen wat zich voorafgaand aan de val van het slachtoffer (die wel op de camerabeelden te zien is), heeft afgespeeld en dus ook niet of en zo ja op welke manier de verdachte daar een aandeel in heeft gehad. De verklaring die is afgelegd door de getuige [getuige] komt op wezenlijke onderdelen niet overeen met hetgeen te zien is op de camerabeelden. Dit maakt dat deze verklaring onvoldoende betrouwbaar is om als bewijs te dienen. Nu er verder geen bewijs in het dossier zit waaruit volgt dat de verdachte het slachtoffer in het gezicht heeft geschopt, wordt de verdachte vrijgesproken van de onder feit 1 primair en subsidiair opgenomen beschuldiging.
2.3.2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 2
Bewezenverklaring
hij op 1 februari 2020 te Rotterdam, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 2] brigadier van de Politie Eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten toen zij verdachte zijn identiteitsbewijs heeft gevorderd om zijn identiteit vast te stellen door zijn ov-kaart uit de hand van die [slachtoffer 2] te trekken en vervolgens weg te rennen terwijl de pink van die [slachtoffer 2] vast zat in zijn mouw waardoor haar arm overstrekte.
De rechtbank gaat ervan uit dat de in de beschuldiging opgenomen naam van de politieambtenaar ( [naam] ) een kennelijke verschrijving is en leest dit als [slachtoffer 2] , zoals hiervoor in cursief is verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De rechtbank overweegt dat zij, net als de raadsman en de officier van justitie, concludeert dat het hebben van pijn niet kan worden gekwalificeerd als lichamelijk letsel, zodat de verdachte van dit strafverhogende gevolg wordt vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2] [2]
Ik was op 1 februari 2020 als brigadier bij de politie Eenheid Rotterdam in de rechtmatige uitoefening van mijn beroep aan het werk. Ik sprak een persoon aan die later bleek te zijn: [verdachte] .
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer 2] [3]
Op 1 februari 2020 vorderde ik in Rotterdam het ID-bewijs van een persoon in het kader van artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht. Deze persoon overhandigde mij zijn ov-kaart. Hij rukte de ov-kaart met kracht uit mijn handen terwijl mijn pink vast zat in zijn mouw en hij maakte een aanvang met wegrennen. Hierdoor is mijn linkerarm overstrekt.
3.
Verklaring van de verdachte [4]
Ik heb op 1 februari 2020 in Rotterdam mijn ov-kaart uit de handen van de politieagente gepakt waarna ik ben weggerend.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie
Het onder 2 primair bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
wederspannigheid.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid. De verdachte heeft door zijn handelen niet alleen pijn toegebracht aan een politieagente, maar ook het werk van de politie bemoeilijkt en geen respect getoond voor het openbaar gezag.
De verdachte is de afgelopen 5 jaar niet veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
De verdachte is na de pleegdatum van dit feit wel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor een ander strafbaar feit, en daarom is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank acht het gelet op voornoemde omstandigheden passend en geboden om de verdachte geen straf of maatregel op te leggen en te volstaan met een schuldigverklaring.

5.Vorderingen van de benadeelde partijen

Benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1)
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft als materiële schade een bedrag van € 934,42 gevorderd en als immateriële schade primair een bedrag van € 5.350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering ziet, zal de benadeelde partij reeds om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 2)
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft als immateriële schade een bedrag van € 250,00 gevorderd in verband met nekklachten, zeer pijnlijke pink, terugkomende whiplashklachten en een week niet werken, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De gevorderde schadepost is niet onderbouwd en wordt door de verdediging betwist. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de gevorderde schade levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De vordering kan alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank veroordeelt ieder van de benadeelde partijen in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de door de die benadeelde partij ingediende vordering, omdat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten worden per ingediende vordering tot vandaag begroot op € 0,-.

6.Wettelijke voorschriften

De beslissing is gebaseerd op de artikelen 63 en 180 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 primair en feit 1 subsidiair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte feit 2 primair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
bepaalt dat voor het feit geen straf of maatregel wordt opgelegd;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 1] in de kosten die de veroordeelde heeft gemaakt voor de verdediging tegen de betreffende vordering, en begroot deze kosten op € 0,-;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 2] in de kosten die de veroordeelde heeft gemaakt voor de verdediging tegen de betreffende vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,
en mrs. J.A. Terstegge en M.A. Loenen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.
Mrs. Loenen en Soeteman zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .
2.Pagina’s 17 en 18.
3.Pagina’s 43 en 44.
4.Verklaard tijdens de zitting van 12 maart 2026.