Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3737

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2603321:R-RK en NL:TZ:2603477:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning wegens beschermingsbewind en schuldsanering

Verzoeker heeft op 11 februari 2026 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 26 juni 2025 en stond gepland voor 13 februari 2026. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering en toeslagen, voldoende om de huur te betalen, en staat sinds oktober 2026 onder beschermingsbewind.

De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie en weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te kunnen doorlopen tegen het belang van verweerster, de verhuurder, die het vonnis wil uitvoeren. De rechtbank constateert dat het beschermingsbewind traag op gang kwam en dat de beschermingsbewindvoerder meer had kunnen doen om de schulden in kaart te brengen.

Gezien de onduidelijkheid over de huidige zorg en het belang van stabiele huurbetalingen, wijst de rechtbank een moratorium toe voor vier maanden vanaf 12 februari 2026, korter dan de gevraagde zes maanden. De voorziening geldt alleen zolang de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan later een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: De rechtbank wijst een moratorium van vier maanden toe en schort de ontruiming op onder voorwaarde van tijdige huurbetaling; verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating schuldsanering.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummers: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 11 maart 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
Verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 11 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het tussenvonnis van deze rechtbank van 12 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 maart 2026.
Ter zitting van 3 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw mr. E. Kattestaart, advocaat van verzoeker;
  • mevrouw F. Gunsing, werkzaam bij stichting Veritas Vertegenwoordiging, beschermingsbewindvoerder;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij HW Wonen, verweerster;
  • mevrouw mr. I.M.M. Versloot, advocaat van HW Wonen,
Mr. I.M.M. Versloot heeft op 27 februari 2026 namens verweerster een verweerschrift ingediend. De advocaat van verzoeker heeft op 2 maart 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker ontvangt inkomsten uit een WIA-uitkering. Daarnaast ontvangt verzoeker toeslagen van de belastingdienst. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 638,20 te voldoen. Verzoeker staat sinds 23 oktober 2026 onder beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het lange tijd heeft geduurd voordat er een beheerrekening kon worden geopend. Het inkomen van verzoeker moet nog op de beheerrekening worden ontvangen. De huur over de maand februari 2026 is van de kantoorrekening van de beschermingsbewindvoerder voldaan op
9 februari 2026. De huur over de maand maart 2026 is inmiddels ook voldaan. De advocaat van verzoeker heeft ter zitting meegedeeld dat nu alles is geregeld. De verwachting is dat de situatie op korte termijn kan worden gestabiliseerd. Beschermingsbewind alleen is niet voldoende. Er zal ook mentorschap worden aangevraagd. HW Wonen heeft beslag gelegd, maar dan nog is er voldoende ruimte om de lopende huurtermijnen te voldoen. De advocaat betreurt het dat aan de beschermingsbewindvoerder niet de tijd is gegund om orde op zaken te stellen. De beschermingsbewindvoerder beschikt over voldoende gegevens om de schuldenlast te gaan inventariseren.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Dat er slechts een korte termijn is gegund om orde op zaken te stellen is niet juist. De instantie die verzoeker begeleidt met zijn psychische klachten heeft aangegeven dat er geen contact te krijgen was met verzoeker. Er was geen enkel zicht op huurbetaling. Daarnaast is er sprake van veelvuldige overlast. Verweerster heeft alle medewerking verleend. Omdat één en ander heel moeizaam is gelopen en er geen huurbetalingen werden verricht, zag verweerster zich genoodzaakt de ontruiming aan te zeggen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 23 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 13 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 26 juni 2025 ten uitvoer kan leggen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker in beginsel voldoende inkomen heeft om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Voor het betalen van de lopende huren is het goede verloop van beschermingsbewind een vereiste. Dat is zonder meer gebleken uit het gebrekkige betalingsgedrag van verzoeker over het jaar 2025. Het opstarten van het laatste beschermingsbewind heeft veel tijd gekost. Het bewind is op verzoek van Antes Zorg B.V. uitgesproken wegens lichamelijke of geestelijke toestand. Voor het goede verloop van beschermingsbewind is medewerking van verzoeker belangrijk, daarbij ondersteund door adequate zorg die verzoeker op zijn beurt moet (kunnen) aanvaarden.
Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank aanleiding om het moratorium toe te wijzen, maar wijkt daarbij af van de verzochte termijn van zes maanden. De rechtbank zal het moratorium toewijzen voor vier maanden vanaf 12 februari 2026. De rechtbank weegt hierbij mee dat het onduidelijk is hoe de stand van zorg is die verzoeker op dit moment ontvangt. Ter zitting heeft de advocaat van verzoeker verklaard dat de hulpverlenende instantie een verzoek tot mentorschap heeft ingediend, maar dit vervolgens weer heeft ingetrokken. Bovendien had de beschermingsbewindvoerder, ondanks dat de beheerrekening e.d. nog niet was geopend, in beginsel wel al meer kunnen doen om de schuldpositie in kaart te brengen. De reden van deze vertraging is ter zitting onvoldoende duidelijk geworden. Verweerster heeft er belang bij dat de huurachterstand niet (nog) verder oploopt. De voorziening zal daarom voor een korte periode worden toegewezen, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen vanaf datum van deze voorziening tijdig en volledig worden betaald. Dat betekent dat bij niet tijdige betaling van de huur, de voorlopige voorziening komt te vervallen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 26 juni 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
  • bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van vier maanden vanaf
  • 12 februari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.