Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3817

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/10/714658 / JE RK 26-262 (A)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing bij een verzorger voor zes maanden. De minderjarige verkeert in een loyaliteitsconflict tussen haar moeder en de verzorger, mede door het overlijden van haar vader en eerdere complexe familieomstandigheden.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag maar weigert communicatie met de verzorger, wat de situatie bemoeilijkt. De minderjarige woont momenteel in het huis van haar overleden vader samen met de verzorger en wil daar blijven. Er is sprake van kwetsbaarheid door autisme en emotionele problematiek.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding. De bijzondere curator wordt herbenoemd om de belangen van de minderjarige te behartigen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing bij de verzorger voor zes maanden met herbenoeming van de bijzondere curator.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714658 / JE RK 26-262 (A)
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende te Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
mr. L.A. Middelkoop,
hierna te noemen: de bijzondere curator, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[persoon A] ,
hierna te noemen: dhr. [persoon A] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de Raad van 9 februari met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 10 februari 2026;
  • het raadsrapport van 5 maart 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 6 maart 2026;
  • de herbenoemingsbeschikking van de bijzondere curator van 10 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het verslag van de bijzondere curator, binnengekomen bij de rechtbank op 17 maart 2026;
  • het ter zitting voorgedragen en overgelegde document door de moeder.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon B] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon C] ;
- dhr. [persoon A] .
1.3.
Bijzondere toegang is verleend aan mr. R.F.J. Dickhoff, kantoorgenoot van mr. Middelkoop.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in het huis van haar overleden vader samen met een vriend van haar vader, dhr. [persoon A] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 december 2025 [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 maart 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg verleend tot 15 maart 2026. Bij diezelfde beschikking van 15 december 2025 is mr. L.A. Middelkoop benoemd tot bijzondere curator over [voornaam minderjarige] tot 15 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 maart 2026 mr. L.A. Middelkoop herbenoemd tot bijzondere curator over [voornaam minderjarige] tot 21 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij dhr. [persoon A] , te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. Er is sprake van een lastige en emotionele situatie. Sinds de echtscheiding van de ouders verkeert [voornaam minderjarige] in een loyaliteitsconflict. Deze is versterkt na het overlijden van haar vader. [voornaam minderjarige] lijkt wederom in een loyaliteitsconflict te verkeren, nu tussen de moeder en dhr. [persoon A] . Het is zeer zorgelijk dat het hen niet lukt om met elkaar te communiceren in het belang van [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] heeft al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en tegelijkertijd kampt zij met kindeigen problematiek. Dit maakt haar zeer kwetsbaar. Positief is dat er goede hulp bij [voornaam minderjarige] betrokken is: Boba, een orthopedagoog en in januari start een autismecoach. Ook is systeemgerichte hulpverlening nodig en zal er aan contactherstel tussen de moeder en [voornaam minderjarige] gewerkt moeten worden, op een manier die aansluit bij het tempo van [voornaam minderjarige] . Op dit moment wenst [voornaam minderjarige] geen contact met de moeder en zij wil graag dat de moeder haar de tijd geeft die zij nodig heeft. Van belang is dat de moeder handvatten aangereikt krijgen over hoe zij het beste bij [voornaam minderjarige] kan aansluiten. Belangrijk hierbij is dat de moeder de rol van dhr. [persoon A] als verzorger van [voornaam minderjarige] accepteert. Doet zij dit niet dan versterkt de moeder het loyaliteitsconflict bij [voornaam minderjarige] . Ook is het wenselijk om pleegzorgbegeleiding in te zetten.

4.De standpunten

4.1.
De GI ondersteunt ter zitting het verzoek van de Raad en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige] wil geen contact met de moeder en zij lijkt in een loyaliteitsconflict te verkeren tussen de moeder en dhr. [persoon A] . Ook voelt [voornaam minderjarige] nog een sterkte loyaliteit naar haar overleden vader toe. Dit maakt [voornaam minderjarige] zeer kwetsbaar en zij dient hierbij ondersteund te worden. De moeder doet hard haar best om het contact met [voornaam minderjarige] te herstellen en belangrijk is dat [voornaam minderjarige] hiertoe wordt gestimuleerd. Onlangs hebben de moeder en [voornaam minderjarige] twee herstelgesprekken gehad, maar deze zijn stop gezet nu [voornaam minderjarige] aangaf geen contact meer met de moeder te willen. Onderzocht moet worden met welke hulpverlening dit contactherstel kan plaatsvinden; gedacht wordt aan MDFT. Dit is nog niet aangevraagd. Hierbij is het van belang dat dhr. [persoon A] naar [voornaam minderjarige] blijft uiten dat contactherstel met de moeder moet plaatsvinden en dat zij een rol in het leven van [voornaam minderjarige] moet spelen. [voornaam minderjarige] ziet het nu niet voor zich om op weer bij de moeder te gaan wonen, maar hier kan nader onderzoek naar worden gedaan nadat het contactherstel heeft plaatsgevonden. Belangrijk is dat de moeder geduldig is en het tempo van [voornaam minderjarige] volgt en intussen de rol van dhr. [persoon A] respecteert.
4.2.
De moeder heeft ter zitting haar standpunt voorgelezen en vervolgens overgelegd aan de rechtbank. Aanvullend daarop wordt door en namens de moeder geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder hoort de wens van [voornaam minderjarige] om haar de tijd en ruimte te geven die zij nodig heeft. Echter, dit heeft de moeder het afgelopen jaar gedaan en dit heeft geen verschil gemaakt. De moeder wil daarom dat er zo snel mogelijk aan intensief contactherstel met [voornaam minderjarige] wordt gewerkt. Daarnaast is de moeder bereid mee te werken aan de doelen die door de bijzondere curator zijn opgesteld, alleen staat de moeder momenteel niet open voor direct contact met dhr. [persoon A] . Dit kan op termijn mogelijk veranderen. Dit contact kan volgens de moeder nu enkel via een tussenpersoon lopen. Daarnaast wenst de moeder een herbenoeming van de bijzondere curator.
4.3.
De bijzondere curator brengt ter zitting het volgen naar voren. Het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat het verzoek van de Raad wordt toegewezen. Met de moeder is de bijzondere curator het eens dat er ingezet moet worden op contactherstel en dat [voornaam minderjarige] daarin nu geheel de ruimte geven niet de oplossing is. Hiervoor dient specialistische en systemische hulpverlening te worden ingezet. De herstelgesprekken tussen [voornaam minderjarige] en de moeder zijn eerder niet stop gezet omdat [voornaam minderjarige] geen contact met de moeder wilde. Gezien werd dat de gesprekken escaleerde en dat begeleiding van een professional nodig is om dit goed te laten verlopen. Om dit te bespoedigen kan de inzet van een vrijgevestigde professional worden overwogen, nu hier korte wachtlijsten zijn. Ondanks dat de moeder nu geen contact met dhr. [persoon A] wil, roept de bijzondere curator haar op dit te heroverwegen. Het is in het belang van [voornaam minderjarige] dat zij met elkaar communiceren. Hiervoor kan een mediationtraject worden ingezet of dit aspect kan worden meegenomen binnen de systeemtherapie. [voornaam minderjarige] voelt zich fijn in het huis van haar overleden vader samen met dhr. [persoon A] en hij zorgt goed voor haar. Het is in haar belang dat zij hier voorlopig blijft. Ondanks dat de bijzondere curator al heeft gerapporteerd, ziet zij desgevraagd meerwaarde om bij [voornaam minderjarige] betrokken te blijven voor de duur van de verzochte uithuisplaatsing.

5.De informatie van de informant

5.1.
Dhr. [persoon A] verklaart tijdens de mondelinge behandeling het volgende. Dhr. [persoon A] staat open voor contact met de moeder en hij wil graag met haar samenwerken in het belang van [voornaam minderjarige] . Hij betreurt het dat de moeder dit niet wil en hij staat open voor hulpverlening om dit mogelijk te maken. Ook heeft hij [voornaam minderjarige] de afgelopen maanden meermaals geprobeerd aan te sporen tot contact met de moeder, maar [voornaam minderjarige] wil dit niet. Hij hoopt dat [voornaam minderjarige] en de moeder een goede band met elkaar krijgen en dat, wanneer de omstandigheden dit toelaten, [voornaam minderjarige] weer bij de moeder kan wonen. Als dat niet het geval is, is dhr. [persoon A] bereid voor [voornaam minderjarige] te blijven zorgen. Met [voornaam minderjarige] gaat het naar omstandigheden oke. Zij heeft veel verdriet van alles wat zich de afgelopen periode heeft afgespeeld en zij heeft tijd en ruimte nodig om dit te verwerken.

6.De beoordeling

De ondertoezichtstelling
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting volgt dat [voornaam minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] is een vijftienjarig meisje dat gediagnostiseerd is met autisme. Hierdoor heeft zij moeite met het reguleren van haar emoties en heeft zij een grote behoefte aan voorspelbaarheid, structuur en duidelijkheid. Daarnaast heeft zij in haar jonge leven al meerdere ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Bij de ouders was sprake van een complexe echtscheiding met een zeer verstoorde relatie tot gevolg. De ouders waren niet meer in staat met elkaar te communiceren waardoor [voornaam minderjarige] in een loyaliteitsconflict terecht kwam. Vervolgens is de relatie tussen [voornaam minderjarige] en de moeder onder druk komen te staan, waarna zij bij de vader is gaan wonen. Hierna is het contact met de moeder ernstig verslechterd. Begin 2025 is bij de vader kanker gediagnostiseerd en in november 2025 is hij overleden. [voornaam minderjarige] woont nu in het huis van de vader met dhr. [persoon A] . [voornaam minderjarige] en de moeder hebben nauwelijks tot geen contact met elkaar. Ook is er geen contact tussen de moeder en dhr. [persoon A] .
6.3.
De moeder is op dit moment onvoldoende bereid dan wel in staat is om de ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige] zelfstandig weg te nemen met hulpverlening in het vrijwillig kader. De moeder accepteert de rol van dhr. [persoon A] in het leven van [voornaam minderjarige] niet en weigert direct met hem te communiceren. Hoewel het standpunt van de moeder als gezaghebbende ouder van [voornaam minderjarige] tot op zekere hoogte te begrijpen is, handelt de moeder hiermee niet in het belang van [voornaam minderjarige] en zet het hun onderlinge relatie verder onder druk. Belangrijk is dat een jeugdbeschermer in het gedwongen kader betrokken raakt die de regie voert en samen met de betrokkenen werkt aan de aanbevelingen van de bijzondere curator. Zo dient professionele begeleiding voor [voornaam minderjarige] ingezet te worden, systeemtherapie voor [voornaam minderjarige] en de moeder en zal aan gefaseerd contactherstel tussen hen moeten worden gewerkt onder begeleiding van een professionele partij. Ook dient er zicht te zijn op de opvoedsituatie van [voornaam minderjarige] bij dhr. [persoon A] .
6.4.
Daar waar de moeder zich op het standpunt stelt dat zo snel mogelijk aan intensief contactherstel met [voornaam minderjarige] moet worden gewerkt omdat anders kostbare tijd verloren gaat, hanteert de moeder dat standpunt helaas niet als het gaat om de communicatie tussen haar en dhr. [persoon A] . Van de moeder mag worden verwacht, hoe moeilijk dat ongetwijfeld voor haar zal zijn, om hierin juist wel voortvarendheid te betrachten en daarmee in het belang van [voornaam minderjarige] stappen te zetten. [voornaam minderjarige] woont in huis met dhr. [persoon A] , hij draagt momenteel de zorg voor haar en het is dan ook van groot belang dat de moeder in staat is om met dhr. [persoon A] in elk geval over de belangrijke dingen voor [voornaam minderjarige] te communiceren en afspraken te maken. Dhr. [persoon A] heeft ter zitting aangegeven hiervoor open te staan en contact met de moeder over [voornaam minderjarige] te willen hebben. Een constructieve communicatie zal het zetten van stappen op andere gebieden ten goede komen.
6.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar, te weten tot 20 maart 2027. Gelet op de complexiteit van de problematiek en de nog in te zetten hulpverlening acht de kinderrechter dat een passende termijn.
De machtiging tot uithuisplaatsing
6.6.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
6.7.
Sinds het overlijden van de vader woont [voornaam minderjarige] samen met dhr. [persoon A] in het huis van de vader. [voornaam minderjarige] heeft in het kindgesprek aangegeven graag in het huis van de vader met dhr. [persoon A] te willen blijven wonen. De kinderrechter is, met de bijzondere curator, van oordeel dat het voor [voornaam minderjarige] gezien haar kwetsbaarheid en hetgeen zij afgelopen jaar heeft doorgemaakt, belangrijk is dat de huidige woonsituatie wordt gecontinueerd. Rust, rouwruimte en stabiliteit dienen nu voorop te staan terwijl tegelijkertijd wordt ingezet op herstel van de relatie tussen de moeder en [voornaam minderjarige] en verbetering van de communicatie tussen de volwassenen om haar heen. Gelet op het voorgaande zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij dhr. [persoon A] in de woning van de vader verlenen voor de duur van zes maanden, te weten tot 20 september 2026.
(her)benoeming bijzondere curator
6.8.
Daarnaast acht de kinderrechter de betrokkenheid van de bijzondere curator bij [voornaam minderjarige] nog steeds noodzakelijk. Het is van belang dat er iemand in en buiten rechte is die [voornaam minderjarige] kan vertegenwoordigen en al het nodige kan doen wat in het belang van [voornaam minderjarige] is. De
bijzondere curator heeft zich ter zitting bereid verklaard om de herbenoeming te
aanvaarden. De kinderrechter zal de bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW Pro
herbenoemen tot bijzondere curator van [voornaam minderjarige] voor de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 20 september 2026.
6.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 20 maart 2026 tot 20 maart 2027;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij dhr. [persoon A] in de woning van de vader, met ingang van 20 maart 2026 tot 20 september 2026;
7.3. (
(her)benoemt tot bijzondere curator teneinde [voornaam minderjarige] te vertegenwoordigen: mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende te Westersingel 92, 3015 LC Rotterdam;
7.4.
bepaalt dat deze benoeming geldt tot 20 september 2026;
7.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.