ECLI:NL:RBROT:2026:383

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/10/682239 / FA RK 24-5136
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek omgangsregeling en vaststelling informatieregeling in familiezaken

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 12 januari 2026, wordt het verzoek van de man om een omgangsregeling met zijn minderjarige kind afgewezen. De man, vertegenwoordigd door advocaat mr. M. Soytekin, heeft al sinds 2017 geen contact meer met de minderjarige, en ook de vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. F.J.M. Hamers, heeft geen contact met de man. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minderjarige, die onder toezicht heeft gestaan, duidelijk aangeeft geen contact te willen met de man. Ondanks de inzet van een bijzondere curator, die is aangesteld om de situatie te onderzoeken, blijft de minderjarige afwijzend tegenover contact met zijn vader. De rechtbank concludeert dat het opleggen van een contactregeling alleen maar meer spanning bij de minderjarige zou veroorzaken en dat de mogelijkheden voor contactherstel op zijn. Daarnaast wordt de informatieregeling opnieuw vastgesteld, waarbij de vrouw verplicht is om de man elke twee maanden te informeren over belangrijke zaken omtrent de minderjarige en hem eens in de zes maanden een recente foto van de minderjarige te sturen. De rechtbank beëindigt de taak van de bijzondere curator, tenzij een van de partijen een rechtsmiddel instelt. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/682239 / FA RK 24-5136
Beschikking van 12 januari 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en de informatie- en consultatieregeling
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M. Soytekin te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. F.J.M. Hamers te Rotterdam,
over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:
[naam 1], kantoorhoudende te Rotterdam,
in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 25 maart 2025;
  • het verslag van de bijzondere curator van 17 juni 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 2] .

2.De beoordeling

2.1.
Omgangsregeling en informatie- en consultatieregeling
2.2.
Bij beschikking van 25 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de verzoeken van de man om een omgangsregeling en een informatie- en consultatieregeling vast te stellen. De rechtbank verwijst naar wat over die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.
Omgangsregeling
2.2.1.
Gebleken is dat de man en [minderjarige] al sinds 2017 geen contact meer met elkaar hebben. Ook de man en de vrouw hebben al heel lang geen contact meer met elkaar. In die achterliggende periode heeft de minderjarige een aantal jaren onder toezicht gestaan en zijn er tussen de man en de vrouw de nodige procedures met betrekking tot [minderjarige] gevoerd. Ook zijn er diverse vormen van hulpverlening ingezet om te bezien of contact tussen de man en [minderjarige] mogelijk was. Tijdens de zitting van 25 maart 2025 heeft de rechtbank aangegeven dat de strijd tussen de ouders, over het hoofd van [minderjarige] heen, moet stoppen. De rechtbank had ook graag gezien dat de man en de vrouw een minimale contactregeling hadden afgesproken, op voorwaarde dat daarvoor bij [minderjarige] ruimte zou worden gevonden. Om dat laatste te kunnen onderzoeken is de bijzondere curator benoemd. Tijdens de gesprekken met de bijzondere curator is helaas gebleken dat de minderjarige duidelijk is in zijn wens om geen contact meer te hebben met de man. Ondanks de inzet van de bijzondere curator blijft de [minderjarige] afwijzend tegenover het contact met hem. Daarnaast is gebleken dat de vrouw de negatieve beeldvorming bij de minderjarige eerder lijkt te bevestigen dan hem te helpen bij het creëren van nieuwe perspectieven. Dit maakt het aangaan van contact voor de minderjarige met de man op dit moment onmogelijk.
2.2.2.
De rechtbank zal het verzoek van de man om een omgangsregeling vast te stellen, afwijzen. Hoewel het zonder contact met de man voor de minderjarige onmogelijk is om het negatieve vaderbeeld te veranderen, is het voor hem nu ook onmogelijk om dat contact aan te gaan. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat het contact afdwingen averechts gaat werken gelet op de leeftijd van de minderjarige, de grote weerstand die hij heeft en de houding van de vrouw. De rechtbank concludeert dat de mogelijkheden voor contactherstel op zijn en dat het nu opleggen van een contactregeling alleen maar tot meer spanning bij de minderjarige leidt. Daarom zal het verzoek van de man worden afgewezen.
2.2.3.
De rechtbank acht het negatieve vaderbeeld van de minderjarige zorgelijk en betreurt dat de minderjarige de video van de man niet heeft willen zien. De rechtbank betreurt ook dat de vrouw, zoals uit het verslag van de bijzondere curator blijkt, niet in staat is geweest [minderjarige] hierbij te ondersteunen.
2.2.4.
Ten aanzien van de video die de man voor de minderjarige heeft opgenomen, merkt de rechtbank het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bijzondere curator gezegd dat de video vijf jaar op haar kantoor bewaard blijft. Als de minderjarige die video binnen de komende vijf jaar op enig moment toch wil zien, staat het hem vrij om daarvoor contact op te nemen met de bijzondere curator. Het zou mooi zijn als de vrouw hem dat gaat vertellen.
Informatie- en consultatieregeling
2.2.5.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw de man informeert volgens de regeling die in de beschikking van 2 maart 2020 is vastgesteld. Omdat de man ook verzoekt foto’s van de minderjarige te ontvangen, de rechtbank dat verzoek alleszins redelijk acht, het belang van [minderjarige] zich daar niet tegen verzet en dit onderdeel nog niet eerder is opgenomen in de beschikking, zal de rechtbank de informatieregeling opnieuw vaststellen zoals onder “De beslissing” is opgenomen.
2.2.6.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
2.3.
Proceskosten
2.3.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat de vrouw gehouden is om de man elke twee maanden te informeren over medische behandelingen, school en andere gewichtige aangelegenheden omtrent de minderjarige en aan hem eens in de zes maanden een recente en goed gelijkende kleurenfoto van de minderjarige te doen toekomen;
3.2.
beschouwt – onder dankzegging en voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 12 januari 2026 als beëindigd;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 12 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.