Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Procedure
2.Voorafgaande veroordeling
3.Vordering
4.Standpunt verdediging grondslag/hoogte ontnemingsvordering
5.Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
6.Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
ad ivwordt verworpen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In de strafzaak is aan de veroordeelde een geldboete opgelegd van € 165.826,-. In het vonnis in de strafzaak overweegt de rechtbank daarover dat deze boete gelijk is aan het saldo op de rekeningen van de veroordeelde op het moment van de inval in het bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank vormde deze geldboete in dit geval een passende reactie op het ondermijnende gedrag van de veroordeelde. De rechter dient bij het vaststellen van de geldboete – op de voet van artikel 24 Sr Pro – rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Niets staat eraan in de weg dat rechter daarbij acht slaat op vermogensbestanddelen waarover de verdachte (nog) beschikt en die de verdachte wederrechtelijk heeft verkregen. Dat met de geldboete wederrechtelijk voordeel wordt ontnomen is dus het gevolg van de straf, maar in dat effect ligt niet de rechtvaardiging. De geldboete is aan de veroordeelde ter vergelding en ter afschrikking opgelegd voor herstel van de rechtmatige toestand. Dat de boete is opgelegd
met het doelwederrechtelijk verkregen voordeel af te romen zoals de verdediging stelt, blijkt niet uit het vonnis. Het valt op principiële gronden niet in te zien waarom een gevangenisstraf wel, maar een vergeldende en afschrikkende geldboete als straf niet bestaanbaar zou zijn naast de ontnemingsmaatregel.
7.Vaststelling van de betalingsverplichting
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
€ 165.826,00(zegge:
honderdvijfenzestigduizend achthonderdzesentwintig euro);
€ 165.826,00 (zegge: honderdvijfenzestigduizend achthonderdzesentwintig euro)ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.