ECLI:NL:RBROT:2026:390
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van een ondersteuningsarrangement op grond van de Wmo 2015 na overlijden van verzoekster
In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 6 januari 2026, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld van (wijlen) verzoekster tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college had op 6 augustus 2025 besloten om het aan verzoekster toegekende ondersteuningsarrangement op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) te beëindigen, omdat zij niet op evaluatiegesprekken was verschenen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Echter, voordat de behandeling van het verzoek kon plaatsvinden, is verzoekster op 11 oktober 2025 overleden. Haar zoon, die ook haar mantelzorger was, heeft aangegeven de procedure te willen voortzetten. De voorzieningenrechter oordeelt dat de zoon wel procesbelang heeft, maar dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, aangezien verzoekster is overleden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat de noodzaak voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 is komen te vervallen met het overlijden van verzoekster. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.