De verdachte, een bijzonder opsporingsambtenaar (BOA) bij de NS, gebruikte geweld bij de aanhouding van een hinderlijke reiziger op het station Rotterdam. De rechtbank stelde vast dat het geweld plaatsvond binnen de grenzen van de ambtsinstructie en proportionaliteit, waardoor de wederrechtelijkheid werd weggenomen op grond van artikel 42, tweede lid Sr.
Daarnaast werd de verdachte vervolgd voor het opmaken van een vals proces-verbaal. De rechtbank oordeelde dat het concept-proces-verbaal slechts een interne melding betrof, niet bestemd als bewijs, en sprak de verdachte vrij van deze tenlastelegging.
De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat de dagvaarding niet voldeed aan de informatiefunctie en concludeerde dat de dagvaarding geldig was. Het bewijs voor het geweld was gebaseerd op verklaringen van de verdachte en collega’s, en op camerastills, hoewel de bewegende beelden ontbraken.
De rechtbank concludeerde dat het geweld in vereniging was gepleegd, waarbij de verdachte een significante bijdrage leverde. Desondanks was het geweld rechtmatig en proportioneel gezien het gedrag van de aangehouden persoon. De verdachte werd daarom ontslagen van alle rechtsvervolging voor het geweldsfeit en vrijgesproken van valsheid in geschrift.