Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het vonnis van 14 augustus 2024 (hierna: het eerste tussenvonnis) en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- de akte uitlaten tevens akte inbrengen producties van [gedaagde] van 28 augustus 2024, met producties 8 tot en met 11;
- de akte overleggen productie t.b.v. enquête van [gedaagde] van 18 april 2025, met producties 12 en 13;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 18 juni 2025;
- de brief van [eiser] van 15 december 2025, met productie 15 t.b.v. de contra-enquête;
- het proces-verbaal van contra-enquête van 7 januari 2026;
- de verwijzing naar de rol van 4 februari 2026 voor beraad conclusie na enquête en contra-enquête ex artikel 2.29 LPR;
- het verzoek van [eiser] op de rol van 4 februari 2026 om vonnis te wijzen en het uitblijven van bericht van [gedaagde].
2.De verdere beoordeling
De bewijslevering
Na het storten van het bedrag had aan [eiser] duidelijk moeten zijn dat hij geen eerste Grundschuld voor zijn investering van 500k ontving omdat het pand voor 1,3 miljoen euro was aangekocht. Als dat niet was wat volgens [eiser] was overeengekomen had hij op dat moment aan de bel kunnen en moeten trekken”, aldus [gedaagde]. Op enig maar niet concreet bekend moment heeft [eiser] ook contact gehad met [naam 3], gelet op het tijdsverloop waarschijnlijk ergens tussen de datum van het gesprek tussen [gedaagde] en [eiser] en de ondertekening van het contract, maar in elk geval (ook) na de storting omdat [naam 3] dat hem heeft verteld, aldus ook [gedaagde].
Extra zekerheidsstelling voor uw kapitaal
Extra zekerheidsstelling voor uw kapitaal
Grundschuld. De hoogte van deze
Grundschuldis gelijk aan uw inleg plus eenmaal de rente. Deze zekerheidsstelling wordt notarieel geformaliseerd door middel van inschrijving op naam van de investeerder in het Duitse Grundbuch (kadaster).”
U krijgt steeds een eersterangs zekerheidsrecht (…)” en
“(…) inschrijving op naam van de investeerder in het Duitse Grundbuch” in deze brochure. De stelling van [gedaagde] (onder randnummer 27 van de conclusie van antwoord) dat op geen enkel moment is gesteld of gesuggereerd dat een Grundschuld op naam van [eiser] zou worden gevestigd is dan ook onjuist.
3.De beslissing
- welbewust en tegen beter weten in meer zekerheid te beloven dan te geven;
- de illusie te wekken dat er ten behoeve van [eiser] een ongedeeld eersterangs zekerheidsrecht is gevestigd, wetende dat niet aan de vereisten voor overdracht van een zekerheidsrecht aan [eiser] is voldaan;
- willens en wetens een vals en waardeloos certificaat (zie 2.5 van het eerste tussenvonnis) aan [eiser] te verstrekken;
- het ontbreken van de intentie om de door [bedrijf 1] van [eiser] ontvangen geldlening terug te betalen en in dat verband het welbewust doorsluizen van gelden van [bedrijf 1] naar andere entiteiten.
22 april 2026bij akte mag uitlaten over de vraag of en, zo ja, hoe hij bewijs wil leveren;
mr. A.C. Rop in het gerechtsgebouw in Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125;