Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3924

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/10/713688 / KG ZA 26-61
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 2:8 BWArt. 2:217 lid 2 BWArt. 4 lid 1 Brussel I-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzagevordering en medewerking voor vaststelling financiële situatie Nederlandse vennootschappen

De zaak betreft een kort geding tussen de Curaçaose vennootschap [eiseres] en [gedaagde], die feitelijk leiding geeft aan Nederlandse vennootschappen binnen de [bedrijf 1]-groep. [eiseres] vordert inzage in financiële en bestuursdocumenten van de Nederlandse vennootschappen en medewerking aan het vaststellen van hun financiële situatie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de feitelijke leiding van de vennootschappen vanuit Nederland plaatsvindt. Er is sprake van een vennootschapsrechtelijke impasse doordat formeel geen bestuurder is benoemd en [gedaagde] weigert inzage te verlenen.

De vorderingen tot inzage en medewerking worden toegewezen voor de periode vanaf 1 januari 2023 tot het vonnis, met een dwangsom van €500 per dag bij niet-nakoming, gemaximeerd op €25.000. De overige vorderingen, waaronder medewerking bij benoeming bestuurder en afwikkeling nalatenschap, worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door mr. C. Bouwman op 23 februari 2026.

Uitkomst: De voorzieningenrechter veroordeelt de feitelijk leidinggevende tot inzage en medewerking met een dwangsom, wijst overige vorderingen af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713688 / KG ZA 26-61
Vonnis in kort geding van 23 februari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap naar buitenlands recht
[eiseres],
te Curaçao,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mrs. R.C. de Mol en D. Post,
tegen
[gedaagde],
te Halle-Zoersel, België,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 januari 2026
- de producties E1 tot en met E11 van [eiseres]
- de akte overlegging aanvullende producties E12 tot en met E15 van [eiseres]
- het verweerschrift van [gedaagde] met producties C1 tot en met C3
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van [eiseres] .

2.De feiten

2.1.
Enig aandeelhouder van [eiseres] is de [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ). [eiseres] is enig aandeelhouder van de Nederlandse vennootschap [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is op haar beurt enig aandeelhouder van de Nederlandse vennootschappen [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ), [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ) en [bedrijf 5] ( [bedrijf 5] ). De activiteiten van de Nederlandse vennootschappen richten zich op de productie en verhandeling van bedrijfs- en veiligheidskleding.
2.2.
[gedaagde] en [naam 1] zijn broer en zus en de kinderen van [naam 2] en [naam 3] .
2.3.
De [bedrijf 1] -groep (het geheel van de vennootschappen genoemd onder 2.1) was eigendom van [naam 2] en [naam 3] . [naam 2] was tot aan zijn overlijden op [overlijdensdatum] 2023 formeel bestuurder van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . In die hoedanigheid heeft hij per 22 april 2016 aan [gedaagde] een volledige volmacht verstrekt. Die volmacht is door het overlijden van [naam 2] geëindigd. [naam 3] is op [overlijdensdatum] 2025 overleden. De enige en algehele erfgenamen van [naam 2] en [naam 3] zijn [gedaagde] en zijn zus, ieder voor gelijke delen. [gedaagde] geeft sinds het overlijden van zijn ouders feitelijk leiding aan de Nederlandse vennootschappen [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . [bedrijf 2] heeft één werknemer en dat is [gedaagde] . De dochtermaatschappijen hebben geen werknemers.
2.4.
De bestuurder van de Curaçaose vennootschappen [bedrijf 1] en [eiseres] is [bedrijf 6] ( [bedrijf 6] ). Bestuurder van [bedrijf 6] is [naam 4] .

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [eiseres] inzage of afschrift of uittreksel van kopieën van de volgende bescheiden te verstrekken:
a. alle beschikbare bescheiden in de ruimste zin des woords met betrekking tot de historische en huidige financiële situatie van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] ,
waaronder steeds in elk geval moet worden begrepen:
b. volledige bankgegevens (bankrekeningnummers en afschriften);
c. alle overeenkomsten (waaronder overeenkomsten met management, arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten met afnemers en toeleveranciers);
d. bestuurs- en aandeelhoudersbesluiten;
e. jaarverslagen, jaarrekeningen, balans, winst- en verliesrekeningen (ook historisch, ook voor zover in concept);
f. adviezen van accountants en andere adviseurs;
g. huidige en historische crediteuren- en debiteurenlijsten;
h. belastingaangiftes (zowel ingediend, voorlopig als definitief vastgesteld),
dit steeds in elk geval voor de periode van 1 januari 2020 tot aan het moment van voldoening aan het vonnis;
2. [gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan [eiseres] a) voor het vaststellen van de (financiële) toestand van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] , b) bij het benoemen van een bestuurder in deze vennootschappen, en c) bij het afwikkelen van de nalatenschap, inclusief het ontmantelen van [eiseres] en [bedrijf 1] ;
3. te bepalen dat [gedaagde] , voor zover hij niet volledig voldoet aan één of meer onderdelen van het gevorderde onder 1 en 2, een dwangsom verbeurt van € 5.000,00, te vermeerderen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de niet-nakoming langer voortduurt, met een maximum van € 100.000,00, althans door UEA in goede justitie te bepalen dwang-sombedragen;
4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure (inclusief nakosten, te begroten overeenkomstig de geldende tarieven), met bepaling dat over die kostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf veertien dagen na het
door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
5. althans zodanige maatregelen te treffen die UEA in goede justitie geraden acht.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] vanwege het ontbreken van spoedeisend belang dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
[gedaagde] woont in België. Hierdoor heeft de zaak een internationaal karakter en dient de voorzieningenrechter te beoordelen of hij rechtsmacht heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit het geval is.
De hoofdregel in artikel 4 lid 1 Brussel Pro I-bis bepaalt dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.
Hoewel tussen de partijen niet in geschil is dat [gedaagde] in België woont, heeft [eiseres] voldoende handen en voeten gegeven aan haar stelling dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank rechtsmacht heeft. Gebleken is immers dat [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] alle kantoor houden in Dordrecht en dat [gedaagde] (in elk geval sinds het overlijden van zijn ouders, althans zijn moeder) aan deze vennootschappen op structurele basis feitelijk leiding geeft door te hunnen kantore, tevens het magazijn van de onderneming, zijn werkzaamheden als
Chief Operating Officeruit te voeren. Omdat de gevraagde voorzieningen de (administratieve en financiële) bedrijfsvoering van de Nederlandse tak van de [bedrijf 1] -groep raken en alleen [gedaagde] deze vennootschappen feitelijk aanstuurt vanaf zijn werkplek op het kantooradres in Dordrecht, moeten de voorzieningen aldaar worden getroffen. Dit betekent dat de Nederlandse rechter, en meer in het bijzonder de voorzieningenrechter te Rotterdam, rechtsmacht heeft.
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vorderingen naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld.
Vorderingen onder 1 en 2a
Spoedeisendheid
4.3.
Anders dan [gedaagde] meent, heeft [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vorderingen onder 1 en 2a. Daarvoor is van belang dat het [bedrijf 2] en haar dochters [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] ontbreekt aan een - deugdelijk benoemd en vertegenwoordigingsbevoegd - statutair bestuurder. Om binnen afzienbare tijd op zorgvuldige wijze te kunnen komen tot de benoeming van een statutair bestuurder door [eiseres] als enig aandeelhouder van de moedervennootschap [bedrijf 2] dient eerst rekening en verantwoording te worden afgelegd over het beleid dat tot nu toe in gemelde vennootschappen is gevoerd. [gedaagde] - die sinds het overlijden van zijn ouders, althans zijn moeder, feitelijk de leiding heeft over de Nederlandse [bedrijf 1] -vennootschappen - weigert, ondanks sommatie daartoe, zijn medewerking te verlenen aan de voor de vaststelling van de (financiële) gezondheid van de vennootschappen benodigde inzage in de administratie. Dit terwijl aangenomen mag worden dat [eiseres] als aandeelhouder recht op die informatie heeft en [gedaagde] bij uitstek degene is die (al dan niet via de boekhouder) over die gegevens kan beschikken. Dat [eiseres] en haar bestuurder [bedrijf 6] enige tijd hebben laten verstrijken sinds het overlijden van de moeder van [gedaagde] alvorens dit kort geding aanhangig te maken, leidt in dit geval niet tot verlies van spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter gaat hierna de vorderingen onder 1 en 2a dan ook inhoudelijk beoordelen.
4.4.
[eiseres] vraagt primair op grond van het bepaalde in artikel 194 Rv Pro e.v. inzage in of afschrift van gegevens die [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] betreffen. De voorzieningenrechter begrijpt [eiseres] aldus dat zij bedoeld heeft de vordering onder 1 te baseren op artikel 195 Rv Pro in samenhang met artikel 194 Rv Pro.
4.5.
Artikel 195 Rv Pro bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij die recht heeft op gegevens een wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van die gegevens. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Dit geldt niet als gewichtige redenen zich daartegen verzetten (artikel 194 lid 2 sub b Rv Pro).
4.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval aan de vereisten van artikel 194 Rv Pro is voldaan. Het volgende is daartoe van belang.
4.6.1.
Aannemelijk is dat sprake is van een zekere rechtsbetrekking tussen [eiseres] en [gedaagde] . Op grond van artikel 2:8 BW Pro moeten een rechtspersoon en degenen die bij haar organisatie zijn betrokken zich immers tegenover elkaar overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid gedragen. In het licht van het bepaalde in artikel 2:217 lid 2 BW Pro dient [gedaagde] daarom, in de situatie dat een formeel bestuur ontbreekt, als feitelijk leidinggevende die aangenomen als enige de rechtstreekse beschikking heeft of via de boekhouder kan krijgen over de administratie van de vennootschappen, aan de (indirect) aandeelhouder van de Nederlandse tak van de [bedrijf 1] inlichtingen verschaffen. Door zich te verschuilen achter formele argumenten om geen informatie te moeten verstrekken en intussen onder de vlag van de vennootschappen de onderneming voort te zetten, handelt [gedaagde] in de visie van de voorzieningenrechter ook onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] . [eiseres] dient in de gelegenheid te worden gesteld de ontstane bestuurdersimpasse te doorbreken en in de nabije toekomst te kunnen overgaan tot de benoeming van een statutair bestuurder (na aanvaarding door deze van de bestuursverantwoordelijkheid voor de vennootschappen wat logischerwijs pas in de rede ligt als de financiële toestand van de vennootschappen duidelijk is). Dat [gedaagde] mede-erfgenaam is in de nalatenschappen van zijn ouders en de vennootschappen van die nalatenschappen deel uitmaken, doet op dit moment uit juridisch oogpunt nog niet ter zake; het betreft hier immers geen erfrechtelijke waarderings- en/of verdelingsvordering waarbij alle erfgenamen betrokken moeten zijn, maar het gaat om een inzagevordering die zich in de eerste plaats richt op het bereiken van een oplossing in de thans voorliggende vennootschapsrechtelijke kwestie (ook al ligt aan die kwestie mede een erfrechtelijk geschil ten grondslag).
4.6.2.
[eiseres] heeft in de gegeven ondernemingsrechtelijke en erfrechtelijke verhoudingen en ter doorbreking van de hiervoor al genoemde vennootschapsrechtelijke impasse ook belang bij het door [gedaagde] als feitelijk leidinggevende van de Nederlandse vennootschappen afleggen van rekening en verantwoording (in meer uitgebreide vorm dan kennelijk tot nu toe het geval is geweest) en het verkrijgen van inzage in de administratie. Niet gebleken is dat het belang van [gedaagde] aan de verlangde inzage in de weg staat. Als een rechtens te respecteren belang is in elk geval niet aan te merken de tijd die het [gedaagde] mogelijk kost om de gegevens te verzamelen en de kosten die daarmee gepaard gaan (die overigens doorgaans voor rekening komen van de partij die het inzageverzoek heeft gedaan).
4.6.3.
De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] in zijn standpunt dat de gevraagde gegevens in enige mate onvoldoende bepaald zijn. Wat opvalt is dat [eiseres] de vordering doet uitstrekken over een wel erg ruim tijdspad vanaf 2020 en dat zij het heeft over de verstrekking van ‘alle beschikbare bescheiden in de ruimste zin des woords’. Dat is onvoldoende concreet geformuleerd en neigt daarmee naar een
fishing expedition. De voorzieningenrechter acht het daarom aangewezen om de inzage slechts in beperkte mate toe te wijzen, zoals hierna nader is uitgewerkt.
4.6.4.
Er zijn geen gewichtige redenen die tegen het verstrekken van inzage pleiten. Zo
is niet aannemelijk dat sprake is van ten opzichte van [eiseres] als aandeelhouder vertrouwelijke (privé- en/of bedrijfs-) informatie.
4.7.
In het licht van het hiervoor overwogene wordt de vordering onder 1 op de primaire grondslag toegewezen in de zin dat [gedaagde] (al dan niet via de boekhouder) zijn medewerking moet verlenen aan het geven van inzage in of afschrift van de onder 3.1 onder 1 b tot en met h opgesomde limitatieve gegevens over de periode van 1 januari 2023 (in welk jaar [naam 2] is overleden) tot de datum van dit vonnis. De over 1 gevorderde dwangsommen worden per dag, in hoogte beperkt en gemaximeerd toegewezen.
In het verlengde van de toewijzing van de inzagevordering zal de voorzieningenrechter [gedaagde] ook veroordelen om binnen gelijke termijn zijn medewerking te verlenen aan de vaststelling van de (financiële) situatie van de Nederlandse vennootschappen. Omdat op dit moment nog onvoldoende bepaalbaar is wat in dat kader precies van [gedaagde] kan worden verwacht, verbindt de voorzieningenrechter aan de vordering onder 2a niet ook een dwangsom.
Vorderingen onder 2b en c
4.8.
De vorderingen onder 2b en c worden afgewezen. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij hierbij voldoende spoedeisend belang heeft.
Voor de vordering onder 2b geldt immers dat eerst inzage en overzicht in de (financiële) toestand van de vennootschappen moet zijn verkregen, alvorens daadwerkelijk tot formele benoeming van een bestuurder en aanvaarding van die positie en de verantwoordelijkheid die daarbij hoort, wordt overgegaan. Voor de vordering onder 2b geldt hetzelfde argument: eerst inzage en overzicht verkrijgen, waarna pas wordt toegekomen aan de afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van [gedaagde] en zijn zus. Overigens is onduidelijk hoe [eiseres] haar rechtspositie in deze voor zich ziet nu de afwikkeling van de nalatenschappen (waartoe alle vennootschappen behorende tot de [bedrijf 1] -groep behoren) bij uitstek een kwestie is die tussen [gedaagde] en zijn zus als enige erfgenamen speelt. Daarnaast valt niet in te zien waarom [eiseres] met de vordering onder 2b mede aanstuurt op de ontmanteling van haarzelf.
Veegvordering
4.9.
De vordering onder 5 is een veegvordering. Toewijzing daarvan stuit alleen al af op de onbepaaldheid van die vordering.
Proceskosten
4.10.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] (al dan niet via de boekhouder) zijn medewerking te verlenen aan inzage of het verstrekken van afschrift van de volgende bescheiden met betrekking tot [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] :
volledige bankgegevens (bankrekeningnummers en afschriften);
alle overeenkomsten (waaronder overeenkomsten met management, arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten met afnemers en toeleveranciers);
bestuurs- en aandeelhoudersbesluiten;
jaarverslagen, jaarrekeningen, balans, winst- en verliesrekeningen (ook voor zover in concept);
adviezen van accountants en andere adviseurs;
crediteuren- en debiteurenlijsten;
(ingediende, voorlopige en/of definitief vastgestelde) belastingaangiftes,
alle betrekking hebbend op de periode vanaf 1 januari 2023 tot de datum van dit vonnis,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot het verlenen van medewerking aan [eiseres] voor het vaststellen van de (financiële) toestand van [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] ,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van in totaal € 25.000,00 is bereikt,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026. 1734/1729