Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3927

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/10/713462 / HA ZA 26-65
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 2:9 BWArt. 6:162 BWArt. 222 lid 1 RvArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voeging van procedures over bestuurdersaansprakelijkheid Gameworld B.V. toegewezen

De curator in het faillissement van Gameworld B.V. vordert voeging van de hoofdzaak tegen JCGroup B.V. en AUM Holding B.V. met een eerdere procedure tegen de natuurlijke bestuurder van Gameworld. De curator stelt dat beide procedures betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex rondom het bestuur en de aansprakelijkheid voor het faillissement.

JCGroup en AUM Holding verzetten zich tegen voeging, stellende dat de aansprakelijkheid van natuurlijke personen en rechtspersonen verschillend is en dat voeging tot vertraging leidt. Ook wijzen zij op vermeende schending van informatieplicht en procedurele tekortkomingen.

De rechtbank oordeelt dat de zaken verknocht zijn omdat de beoordeling van de aansprakelijkheid van de vennootschappen samenhangt met het handelen van de natuurlijke bestuurder. Het enkele feit dat verschillende rechtsgronden aan de orde zijn, staat voeging niet in de weg. Het belang van consistente beoordeling en het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken weegt zwaarder dan mogelijke vertraging.

De vordering tot voeging wordt daarom toegewezen. De beslissing over proceskosten wordt aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak. De zaak wordt op 13 mei 2026 hervat voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot voeging toe en beveelt gezamenlijke behandeling van de procedures.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713462 / HA ZA 26-65
Vonnis in incident van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser] QQ CURATOR IN HET FAILLISSEMENT van LIBERTY TRADING EUROPE B.V. h.o.d.n. GAMEWORLD,
te Rotterdam,
eiser in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. B.S.J.M. van Gangelen,
tegen

1.JCGROUP B.V.,

te Rotterdam,
2.
AUM HOLDING B.V.,
te Rotterdam,
gedaagden in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. L. Hennink.
Partijen worden hierna de curator, JCGroup en AUM Holding genoemd. De gefailleerde vennootschap wordt hierna aangeduid bij haar handelsnaam Gameworld.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 8 januari 2026, tevens houdende incidentele vordering tot voeging (art. 222 Rv Pro), met producties 1 tot en met 41;
  • de conclusie van antwoord in het incident van JCGroup, met producties 1-3;
  • de conclusie van antwoord in het incident van AUM Holding, met producties 1-4.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil in de hoofdzaak

2.1.
De curator vordert, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
Voor recht te verklaren:
I. dat JCGroup en AUM Holding hun taak als onmiddellijk, respectievelijk middellijk bestuurder van Gameworld kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:248 BW Pro en dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement;
II. dat JCGroup en AUM Holding jegens de curator hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden in het faillissement van Gameworld voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;
III. dat JCGroup en AUM Holding als de onmiddellijk, respectievelijk middellijk bestuurder van Gameworld het bepaalde in artikel 106a van de Faillissementswet geheel of ten dele hebben overtreden;
en JCGroup en AUM Holding te veroordelen:
IV. tot betaling aan de curator van het bedrag van de schulden in het faillissement van Gameworld, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, nader op te maken bij staat als bedoeld in artikel 2:248 lid 5 BW Pro;
V. tot betaling aan de curator van een voorschot van € 1.000.000,-;
VI. tot een bestuursverbod voor de duur van vijf jaar;
Subsidiair
Voor recht te verklaren:
I. dat JCGroup en AUM Holding hun taak als onmiddellijk, respectievelijk middellijk bestuurder van Gameworld onbehoorlijk hebben vervuld als bedoeld in artikel 2:9 BW Pro en hen hiervan een ernstig verwijt treft;
II. dat JCGroup en AUM Holding jegens Gameworld hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die Gameworld als gevolg van hun onbehoorlijke taakvervulling heeft geleden;
en JCGroup en AUM Holding te veroordelen:
III. tot betaling aan de curator van de door Gameworld geleden schade als gevolg van hun onbehoorlijke taakvervulling, nader op te maken bij staat;
IV. tot betaling aan de curator van een voorschot van € 1.000.000.-;
V. tot een bestuursverbod voor de duur van vijf jaar;
Meer subsidiair
Voor recht te verklaren:
I. dat JCGroup en AUM Holding ieder onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Gameworld als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro en hen hiervan een ernstig persoonlijk verwijt treft;
II. dat JCGroup en AUM Holding jegens de gezamenlijke schuldeisers van Gameworld hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die Gameworld als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden;
en JCGroup en AUM Holding te veroordelen:
III. tot betaling aan de curator van de door de gezamenlijke schuldeisers van Gameworld geleden schade als gevolg van hun onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat;
IV. tot betaling aan de curator van een voorschot van € 1.000.000,-;
V. tot een bestuursverbod voor de duur van vijf jaar;
In alle gevallen:
JCGroup en AUM Holding hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten en beslagkosten.
2.2.
JCGroup en AUM Holding hebben nog niet voor antwoord geconcludeerd.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
De curator vordert, tijdig en vóór alle weren, dat de hoofdzaak wordt gevoegd met de eerder door hem bij deze rechtbank aanhangig gemaakte zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/699859, HA ZA 25-421, tegen – voor zover van belang – (middellijk) bestuurder [naam] (hierna: [naam]) als gedaagde.
3.2.
De curator legt aan zijn vordering ten grondslag dat beide procedures berusten op hetzelfde feitencomplex, te weten handelingen van en namens het bestuur van Gameworld. Volgens de curator is gezamenlijke beoordeling noodzakelijk om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen en een efficiënte behandeling te bevorderen.
3.3.
JCGroup en AUM Holding verzetten zich tegen de gevorderde voeging. Zij betwisten dat sprake is van hetzelfde feitencomplex en voeren aan dat de aansprakelijkheid van een natuurlijke persoon verschilt van die van een rechtspersoon en daarom afzonderlijk moet worden beoordeeld. Voeging zou bovendien tot ongewenste vertraging van de al langer lopende procedure leiden. Verder heeft de curator niet voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 21 Rv Pro om de rechtbank volledig en juist te informeren over de achtergrond van het opnieuw dagvaarden van de vennootschappen, heeft AUM Holding een tegenvordering bij de curator ingediend en is de rechtbank met de beslissing tot uitstel van de al geplande zitting in de andere zaak vooruitgelopen op de beslissing in dit incident, terwijl [naam] in de onderhavige zaak niet om zijn standpunt is gevraagd. Het gevolg van een en ander moet zijn dat de gevorderde voeging moet worden afgewezen, aldus JCGroup en AUM Holding.
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat het niet aan de incidentenrechter in deze zaak is om maatregelen van procesorde in de andere zaak te beoordelen. De beoordeling van dit incident vindt zelfstandig plaats aan de hand van artikel 222 lid 1 Rv Pro. Op grond van dit artikel kan voeging worden bevolen indien voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn. Van verknochtheid is sprake indien de zaken zodanig samenhangen dat een gelijktijdige behandeling wenselijk is om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen en een doelmatige procesvoering te bevorderen.
3.5.
De rechtbank stelt op basis van de overgelegde stukken vast dat naast de onderhavige procedure bij deze rechtbank, onder zaak -/rolnummer C/10/699859 HA ZA 25-421 een procedure van de curator tegen [naam], als enig middellijk (via AUM Holding en JCGroup) bestuurder van Gameworld, aanhangig is. De curator heeft gesteld en uit de nagenoeg identieke dagvaardingen blijkt dat de procedures betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex in verband met het handelen van het bestuur voorafgaand aan het faillissement van Gameworld. In beide procedures staat dat handelen en de vraag of de (indirect) bestuurders aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort of de schade die de vennootschap en/of de gezamenlijke schuldeisers door dat handelen hebben geleden centraal.
3.6.
Dat de vordering in de ene procedure is ingesteld tegen [naam] en in de onderhavige procedure tegen de direct en indirect besturende vennootschappen neemt niet weg dat sprake is van verknochtheid. De beoordeling van de aansprakelijkheid van de vennootschappen hangt samen met het handelen van [naam] als (natuurlijk persoon) bestuurder van die vennootschappen. Het enkele feit dat verschillende rechtsgronden aan de orde zijn, staat niet aan verknochtheid in de weg wanneer de beoordeling in belangrijke mate berust op hetzelfde feitencomplex.
3.7.
Ook het argument dat voeging tot vertraging van de reeds aanhangige procedure kan leiden, is onvoldoende om voeging te weigeren. Het belang van een consistente beoordeling en het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken weegt in dit geval zwaarder. De stelling van JCGroup en AUM Holding artikel 21 Rv Pro hebben geschonden door niet aan te geven waarom opnieuw is gedagvaard is verder niet onderbouwd en staat reeds daarom niet aan voeging in de weg. Dat [naam] als partij in de andere procedure niet is gehoord over de gevorderde voeging is niet van belang, omdat een wettelijk voorschrift daartoe niet bestaat.
3.8.
De conclusie is dat de vordering tot voeging wordt toegewezen.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
voegt de hoofdzaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/699859 HA ZA 25-421;
4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten in het incident aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
13 mei 2026voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
3995/3268/2459