Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3948

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
ROT 24/4685, ROT 24/4686 en ROT 24/4687
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3:79 BWArt. 4:17 AwbArt. 4:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Rotterdam vermindert WOZ-waarden en stelt dwangsommen vast in belastingzaak

Eiser stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarden van drie woningen in Rotterdam en tegen de weigering van de heffingsambtenaar om een ingebrekestelling in behandeling te nemen. De rechtbank oordeelt dat eiser, ondanks dat hij werd bijgestaan door een gemachtigde, zelf een rechtsgeldige ingebrekestelling kon sturen. De brief van de heffingsambtenaar waarin werd gesteld dat de ingebrekestelling niet in behandeling werd genomen, is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank volgt het compromisvoorstel van de heffingsambtenaar en vermindert de WOZ-waarden van de woningen. Daarnaast stelt zij vast dat de heffingsambtenaar dwangsommen heeft verbeurd wegens overschrijding van de beslistermijn na ontvangst van de ingebrekestelling. De hoogte van de dwangsommen wordt vastgesteld op respectievelijk € 357,- en € 184,- voor de verschillende zaken.

Verder veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten, waaronder reis- en verletkosten van eiser. De beroepen worden gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar vernietigd. De uitspraak is gedaan door rechter C. Vogtschmidt op 8 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank vermindert de WOZ-waarden, stelt dwangsommen vast en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/4685, ROT 24/4686 en 24/4687

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam.

(gemachtigde: mr. R.M.S. Mahboeb)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 april 2024.
1.1.
Met de aanslagbiljetten van 31 januari 2023 en 7 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarden van de volgende onroerende zaken (de woningen) in Rotterdam op 1 januari 2022 (waardepeildatum) vastgesteld:
Zaaknummer
Onroerende zaak
WOZ-waarde
ROT 24/4685
[adres 1]
€ 731.000,-
ROT 24/4686
[adres 2]
€ 366.000,-
ROT 24/4687
[adres 3]
€ 373.000,-
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarden van de woningen gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde namens de heffingsambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

2. Bij e-mailbericht van 5 september 2025 heeft de heffingsambtenaar een compromisvoorstel gedaan, waarmee eiser akkoord is gegaan. De WOZ-waarden van de woningen worden als volgt vastgesteld:
Zaaknummer
Onroerende zaak
(Nieuwe) WOZ-waarde
ROT 24/4685
[adres 1]
€ 610.000,-
ROT 24/4686
[adres 2]
€ 348.000,-
ROT 24/4687
[adres 3]
€ 352.000,-
3. De beroepen zijn gegrond voor zover eiser beroep heeft ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden. De heffingsambtenaar is tegemoetgekomen aan de beroepen van eiser. Omdat eiser tijdig beroep heeft ingesteld en zijn beroepen gegrond zijn voor zover het de WOZ-waarden betreft, moet de heffingsambtenaar de proceskosten van eiser vergoeden.
4. In geschil blijft of eiser ontvankelijk is in zijn beroepen en of de heffingsambtenaar een dwangsom aan eiser heeft verbeurd. De rechtbank beoordeelt of eiser ontvankelijk is en of hij recht heeft op een dwangsom. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Zijn de beroepen ontvankelijk?
5. Bij brief van 14 maart 2024 stelt de heffingsambtenaar dat de ingebrekestelling van eiser niet in behandeling genomen wordt, omdat eiser een gemachtigde heeft. Volgens de heffingsambtenaar kan eiser dan niet zelf een ingebrekestelling sturen. De gemachtigde licht ter zitting toe dat de brief een mededeling is. Daarom is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit is niet gericht op enig (publiekrechtelijk) rechtsgevolg. Eiser is daarom volgens de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk.
5.1.
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet. Een brief waarin door het bestuursorgaan wordt geschreven dat geen geldige ingebrekestelling is gedaan, is volgens de jurisprudentie in beginsel een besluit tot afwijzing van een dwangsom. [1] In de brief van 14 maart 2024 stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat geen geldige ingebrekestelling is gedaan en dat hij daarom geen dwangsom heeft verbeurd. Naar het oordeel van de rechtbank behelst de brief in zoverre een publiekrechte rechtshandeling en is daarom sprake van een besluit. De beroepen van eiser zijn in zoverre ontvankelijk. Dat de gemachtigde van de heffingsambtenaar betwijfelt of jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State werking heeft in deze zaak, maakt dit oordeel niet anders. Dezelfde (bestuursrechtelijke) rechtsvraag is door één van de hoogste bestuursrechters beantwoord. Niet valt in te zien waarom de Hoge Raad, de hoogste rechter in belastingzaken, anders zal oordelen over dezelfde rechtsvraag.
Kan de rechtbank een oordeel geven over de dwangsombesluiten in zaken ROT 24/4685 en ROT 24/4687?
5.2.
Nu de WOZ-waarden niet meer in geschil zijn, staat de rechtbank vervolgens voor de vraag of zij de beroepen ROT 24/4685 en ROT 24/4687 tegen het dwangsombesluit in behandeling kan nemen. Die vraag beantwoordt zij bevestigend. De heffingsambtenaar heeft in deze zaken op 4 april 2024 uitspraken op bezwaar gedaan. In die zaken heeft de heffingsambtenaar op 17 maart 2024 een (tweede) ingebrekestelling ontvangen van de gemachtigde van eiser en daarom een dwangsombesluit genomen. De termijn was met één dag overschreden. Daarom is een dwangsom toegekend van € 23,- per zaak. Eiser betwist in zijn beroepschriften de hoogte van de dwangsommen, omdat hij vóór zijn gemachtigde in de bezwaarfase een rechtsgeldige ingebrekestelling heeft verstuurd.
5.2.1.
Het dwangsombesluit van 3 april 2024 is gericht aan de gemachtigde van eiser in de bezwaarfase. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een beschikking op aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom die wordt verbeurd indien die beschikking niet tijdig wordt gegeven, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. [2] Dat betekent dat eiser, in geval hij bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen de beschikking op aanvraag, zijn eventuele bezwaren tegen de beschikking ter vaststelling van de hoogte van de dwangsom in die procedure kan inbrengen. [3]
Wat is de hoogte van de dwangsom in ROT 24/4685 en ROT 24/4686?
6. Eiser stelt dat hij op 28 februari 2024 een rechtsgeldige ingebrekestelling heeft gestuurd. Omdat eiser eerder een ingebrekestelling heeft gestuurd dan de gemachtigde, is de vastgestelde dwangsom volgens eiser te laag. Eiser licht ter zitting toe dat hij, ondanks dat hij een partij heeft gemachtigd namens hem op te treden, zelf zijn belangen mag blijven behartigen.
7. De heffingsambtenaar bevestigt dat de ingebrekestelling van eiser op 5 maart 2024 is ontvangen, maar stelt dat eiser geen ingebrekestelling kon sturen, omdat hij een gemachtigde had. De heffingsambtenaar heeft daarom de dwangsom berekend op basis van de ingebrekestelling van de gemachtigde die op 17 maart 2024 door de heffingsambtenaar is ontvangen. De heffingsambtenaar licht ter zitting toe dat de heffingsambtenaar niet met een belanghebbende mag communiceren, indien er een gemachtigde partij is. Ook is er geen intrekking van de machtiging, waardoor Eerlijke WOZ, de gemachtigde van eiser, volgens de heffingsambtenaar de procespartij in de bezwaarfase was. Daarnaast was de gemachtigde van eiser in de bezwaarfase een professionele partij met wie soms procesafspraken gemaakt zijn.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling van eiser rechtsgeldig. Dat eiser in de bezwaarfase werd bijgestaan door een gemachtigde, betekent niet dat hij geen rechtsgeldige rechtshandelingen meer kon verrichten. Op grond van artikel 3:79 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is de regeling over volmacht uit titel 3.3 van het BW van overeenkomstige toepassing. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een volmacht niet meebrengt dat de volmachtgever de bevoegdheid waarvoor hij de volmacht heeft gegeven verliest. [4] Eiser kon dus ook zelf een geldige ingebrekestelling sturen. Uit de overgelegde stukken en ter zitting is bovendien niet gebleken dat er procesafspraken gemaakt zijn tussen de heffingsambtenaar en Eerlijke WOZ. De rechtbank verwerpt het standpunt van de heffingsambtenaar dat eiser geen ingebrekestelling kon sturen.
8.1.
Omdat eiser een rechtsgeldige ingebrekestelling heeft gestuurd die door de heffingsambtenaar op 5 maart 2024 is ontvangen, is het beroep gegrond en zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal daarom de hoogte van de dwangsom als volgt bepalen.
8.2.
Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Het tweede lid bepaalt dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Volgens het derde lid van artikel 4:17 van Pro de Awb, is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
9. De heffingsambtenaar heeft de ingebrekestelling op 5 maart 2024 ontvangen. Anders dan door eiser ter zitting gesteld, vangt de termijn daarom aan op 5 maart 2024. [5] De laatste dag waarop de heffingsambtenaar had om te beslissen was daarmee 19 maart 2024. Het bestreden besluit is genomen op 3 april 2024, zodat een dwangsom is verschuldigd over een periode van in totaal vijftien dagen. De dwangsom dient te worden vastgesteld op
€ 357,- per zaak. [6]
Heeft eiser recht op een dwangsom in zaak ROT 24/4686?
10. De heffingsambtenaar heeft in zaak ROT 24/4686 geen dwangsombesluit genomen, omdat de uitspraak op bezwaar op 27 maart 2024 is gedaan. De heffingsambtenaar heeft gerekend vanaf de tweede ingebrekestelling, waardoor hij volgens hem op 2 april 2024 had moeten beslissen. Omdat de uitspraak op bezwaar binnen de twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling is gedaan, heeft hij geen dwangsom verbeurd.
10.1.
Zoals in r.o. 8. is overwogen, heeft eiser op 28 februari 2024 een rechtsgeldige ingebrekestelling gestuurd. Die ingebrekestelling heeft hij ook in deze zaak gestuurd. Dat betekent dat naar het oordeel van de rechtbank de heffingsambtenaar ook in deze zaak een dwangsom heeft verbeurd. Zij stelt de dwangsom als volgt vast.
10.2.
De heffingsambtenaar heeft de ingebrekestelling op 5 maart 2024 ontvangen. De laatste dag waarop de heffingsambtenaar had om te beslissen was daarmee 19 maart 2024. Het bestreden besluit is genomen op 27 maart 2024, zodat een dwangsom is verschuldigd over een periode van in totaal acht dagen. De dwangsom dient te worden vastgesteld op
€ 184,-. [7]
Welke proceskosten moet de heffingsambtenaar vergoeden?
11. Eiser verzoekt om vergoeding van zijn reis- en verletkosten. Deze kosten zien op tijdverzuim wegens het bijwonen van de zitting.
12. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van eiser. De rechtbank beoordeelt de door eiser verzochte proceskosten aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Uitsluitend de in artikel 1, onder a t/m g, van het Bpb genoemde kosten kunnen worden betrokken in een proceskostenveroordeling. De rechtbank beslist ten aanzien van de door eiser verzochte verletkosten als volgt. Op grond van artikel 1, eerste lid aanhef en onder e, van het Bpb komen verletkosten in aanmerking voor vergoeding, indien het gaat om tijdverzuim wegens het bijwonen van een zitting. [8]
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank komen in aanmerking kosten van tijdverzuim ten behoeve van het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. De rechtbank berekent de verletkosten daarom op grond van vijf uur. Dit betekent dat eiser recht heeft op verletkosten van een bedrag van € 545,-.
12.2.
Met betrekking tot de verzochte reiskosten, veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de door eiser gemaakte proceskosten van € 40,80.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepen zijn gegrond.
13.1.
Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vermindert de bij de beschikking vastgestelde waarde van de [adres 1] in zaak
ROT 24/4685 tot een bedrag van € 610.000,-;
  • vermindert de bij de beschikking vastgestelde waarde van de [adres 2] in zaak ROT 24/4686 tot een bedrag van € 348.000,-;
  • vermindert de bij de beschikking vastgestelde waarde van de [adres 3] in zaak ROT 24/4687 tot een bedrag van € 352.000,-;
  • vermindert de voor de [adres 1] in zaak ROT 24/4685 opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen tot een aanslag berekend naar een waarde van
€ 610.000,-;
- vermindert de voor de [adres 2] in zaak ROT 24/4686 opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen tot een aanslag berekend naar een waarde van
€ 348.000,-;
- vermindert de voor de [adres 3] in zaak ROT 24/4687 opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen tot een aanslag berekend naar een waarde van
€ 352.000,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar dwangsommen van € 898,-
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 585,80 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.M. Helleman, griffier. Uitgesproken op 8 april 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:409, r.o. 3.1.
2.Artikel 4:19, eerste lid, Awb.
4.Hoge Raad 29 september 1989, NJ 1990, 307
5.Artikel 4:17, derde lid, Awb.
6.14 * € 23,- + 1 * € 35,-.
7.8 * € 23,-.
9.2 * € 357,- + 1 * € 184,-.