Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3994

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/10/715077 / JE RK 26-320
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens zorgelijke thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt ondertoezichtstelling van de minderjarige voor een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De minderjarige verblijft vrijwillig bij een jeugdhulpinstelling vanwege een zorgelijke thuissituatie gekenmerkt door huiselijk geweld, middelengebruik en vermoedens van seksueel overschrijdend gedrag door de stiefvader.

De moeder ontkent de zorgelijke situatie, maar de minderjarige heeft suïcidale gedachten en doet aan zelfbeschadiging. De moeder en vader zijn niet verschenen bij de zitting, maar zijn correct opgeroepen. De gecertificeerde instelling en de Raad ondersteunen het verzoek vanwege urgente zorgen om het welzijn van de minderjarige.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld en er wordt een machtiging tot uithuisplaatsing verleend wegens een zorgelijke thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715077 / JE RK 26-320
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank onbekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 17 februari 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
  • een tweetal vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling (hierna te noemen: de GI), [naam 2] en [naam 3] ;
  • de advocaat van de moeder.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [naam instelling] in [plaatsnaam] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Er bestaan zorgen om het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] , omdat zij in haar leven ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. Op 9 september 2025 heeft een escalatie plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de moeder, waarna de moeder een paar dagen in detentie heeft verbleven. De moeder ontkent dat er sprake is van een zorgelijke thuissituatie, maar [minderjarige] heeft hierover zorgelijke uitspraken gedaan. Zo zou bij de moeder sprake zijn van middelengebruik, zou [minderjarige] getuige zijn geweest van geweld tussen de moeder en de vader van haar halfbroertje [naam 4] (hierna: de stiefvader) en zou er sprake zijn van seksueel overschrijdend gedrag van de stiefvader richting [minderjarige] . Daarnaast is er sprake van psychische problematiek bij [minderjarige] : zij heeft onder andere last van suïcidegedachtes en doet aan zelfbeschadiging. [minderjarige] verblijft inmiddels op vrijwillige basis bij [naam instelling] in [plaatsnaam] , waar het overwegend goed met haar gaat. Zij heeft weinig contact met haar vader die in Noorwegen woont. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] is inmiddels weer opgestart, maar of [minderjarige] weer bij de moeder kan worden teruggeplaatst is nog onduidelijk. De inzet van hulpverlening is nodig, maar de moeder staat hiervoor niet open. De betrokkenheid van de GI is het aankomende jaar nodig om te situatie verder te onderzoeken en passende hulpverlening in te zetten. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is daarnaast voor een half jaar nodig, zodat het perspectief van [minderjarige] binnen die tijd duidelijk kan worden.

4.De standpunten

4.1.
De GI sluit zich tijdens de mondelinge behandeling aan bij het verzoek van de Raad. Er bestaan urgente zorgen om het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] . Er dient inzicht en duidelijkheid te komen over [minderjarige] haar perspectief.
4.2.
Namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Er heeft geen contact plaatsgevonden tussen de moeder en haar advocaat. Er is in de situatie nog veel onduidelijk. Eventueel zouden de maatregelen voor een kortere periode kunnen worden verleend, zodat tussentijds een toetsmoment kan plaatsvinden.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt. Er bestaan zorgen om het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] , omdat vermoedelijk sprake is van een zorgelijke thuissituatie die wordt gekenmerkt door huiselijk geweld en middelengebruik. [minderjarige] heeft daarnaast last van suïcidale gedachtes en doet aan zelfbeschadiging. De inzet van hulpverlening is nodig om de situatie te verbeteren, maar dit is binnen het vrijwillig kader onvoldoende van de grond gekomen. De betrokkenheid van de GI is de aankomende periode nodig om passende hulpverlening in te zetten en onderzoek te doen naar het perspectief van [minderjarige] . Het verblijf van [minderjarige] bij [naam instelling] dient in de tussentijd, in ieder geval de aankomende zes maanden, te worden gecontinueerd.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter zal [minderjarige] daarom onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlenen voor de duur van zes maanden.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 17 maart 2026 tot 17 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 17 maart 2026 tot 17 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. C.N. Melkert kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.