ECLI:NL:RBROT:2026:3996
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing loonvordering in kort geding wegens onvoldoende aannemelijkheid
Eiser, een oproepkracht werkzaam sinds augustus 2025, vordert betaling van achterstallig loon over een periode waarin hij arbeidsongeschikt raakte door een bedrijfsongeval. Hij stelt dat D-Pers onvoldoende loon heeft betaald omdat niet is uitgegaan van de vermoedelijke arbeidsomvang van 127,58 uur per vierwekenperiode.
De kantonrechter beoordeelt de spoedeisendheid en de aannemelijkheid van de vordering in kort geding. Hoewel spoed aanwezig is vanwege financiële problemen van eiser, is het onvoldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De berekening van de arbeidsomvang moet gebaseerd zijn op drie opeenvolgende maanden voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid, waarbij vakantie als normale onderbreking niet kan worden uitgesloten.
Daarnaast is onduidelijk welke bedragen reeds zijn betaald in een door partijen getroffen regeling, waardoor de exacte omvang van de resterende vordering niet concreet is. De kantonrechter wijst daarom de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten, die nihil worden begroot.
Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en onduidelijkheid over reeds verrichte betalingen.