Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3996

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
12091076 VV EXPL 26-74
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610b BWArt. 3:303 BWArt. 237 RvArt. 254 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering in kort geding wegens onvoldoende aannemelijkheid

Eiser, een oproepkracht werkzaam sinds augustus 2025, vordert betaling van achterstallig loon over een periode waarin hij arbeidsongeschikt raakte door een bedrijfsongeval. Hij stelt dat D-Pers onvoldoende loon heeft betaald omdat niet is uitgegaan van de vermoedelijke arbeidsomvang van 127,58 uur per vierwekenperiode.

De kantonrechter beoordeelt de spoedeisendheid en de aannemelijkheid van de vordering in kort geding. Hoewel spoed aanwezig is vanwege financiële problemen van eiser, is het onvoldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De berekening van de arbeidsomvang moet gebaseerd zijn op drie opeenvolgende maanden voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid, waarbij vakantie als normale onderbreking niet kan worden uitgesloten.

Daarnaast is onduidelijk welke bedragen reeds zijn betaald in een door partijen getroffen regeling, waardoor de exacte omvang van de resterende vordering niet concreet is. De kantonrechter wijst daarom de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten, die nihil worden begroot.

Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en onduidelijkheid over reeds verrichte betalingen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12091076 VV EXPL 26-74
datum uitspraak: 5 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Rotterdam,
eiser,
gemachtigde: mr. J.O. Bohr,
tegen
D-Pers B.V.,
vestigingsplaats: Alphen aan den Rijn,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘D-Pers’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit het volgende processtuk:
- de dagvaarding van 17 februari 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 26 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting met [eiser] en mr. J.O. Bohr besproken. D-Pers is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[eiser] werkt sinds 11 augustus 2025 bij D-Pers als vulploegmedewerker op basis van een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd, tegen een uurloon van € 18,68 bruto. In de arbeidsovereenkomst is een arbeidsomvang van 2 tot 12 uur per week opgenomen. Op 1 december 2025 is [eiser] arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van een bedrijfsongeval.
2.2.
Volgens [eiser] heeft D-Pers hem te weinig loon uitbetaald tijdens ziekte, omdat D-Pers geen rekening heeft gehouden met de vermoedelijke arbeidsomvang van 127,58 uur per periode. D-Pers heeft over periode 13 van 2025 € 407,78 bruto uitbetaald, terwijl [eiser] vindt dat hij recht heeft op € 2.383,19 bruto. [eiser] eist daarom dat D-Pers € 1.975,41 bruto aan achterstallig loon over deze periode betaalt, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarnaast eist [eiser] dat D-Pers het salaris van € 2.383,19 bruto per periode betaalt tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd en dat D-Pers deugdelijke bruto/netto-specificaties aan hem verstrekt en dat als D-Pers dat niet doet zij een dwangsom moet betalen.

3.De beoordeling

3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is. [eiser] heeft namelijk gesteld dat hij te weinig loon heeft ontvangen en daardoor in financiële problemen dreigt te raken.
3.2.
Bij de beoordeling is verder van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor D-Pers als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
3.3.
De eis van [eiser] wordt afgewezen. Gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader in kort geding is het voorshands onvoldoende aannemelijk dat de vordering tot betaling van de door [eiser] genoemde bedragen in een gewone procedure zal worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3.4.
Artikel 7:610b BW bepaalt dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. De referteperiode kan in duur vergroot worden indien de referteperiode van drie maanden als niet representatief aangemerkt dient te worden.
3.5.
Gelet op het uitgangspunt van artikel 7:610b BW moet voor het berekenen van de omvang van de arbeidsovereenkomst van [eiser] gekeken worden naar de periode van drie maanden voorafgaand aan 1 december 2025, dus de maanden september, oktober en november 2025. De loonstroken van [eiser] betreffen geen kalendermaanden, maar perioden van vier weken. In de vierwekenperioden voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid heeft [eiser] respectievelijk 128,25 uur (periode 10), 66,75 uur (periode 11) en 129 uur (periode 12) gewerkt. Het gemiddelde daarvan bedraagt 108 uur per vierwekenperiode.
3.6.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat periode 11 buiten beschouwing moet worden gelaten bij de berekening, omdat die periode niet representatief is. In periode 11 heeft [eiser] namelijk minder gewerkt dan in de andere perioden omdat hij toen twee weken vrij heeft genomen en op vakantie is gegaan. Daarom moet volgens [eiser] als referteperiode alleen gekeken worden naar de perioden 9, 10 en 12. Dit standpunt van [eiser] kan niet worden gevolgd. Vakantie vormt, mede gelet op hetgeen daarover in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen, een normale en voorzienbare onderbreking van de werkzaamheden en rechtvaardigt geen uitsluiting van een periode uit de berekening. De referteperiode moet een opeenvolgende periode zijn, omdat de bedoeling van de wet is om een representatief gemiddelde te nemen van de feitelijke arbeidsomvang. Periode 11 kan evenmin buiten beschouwing worden gelaten, omdat anders niet langer drie opeenvolgende maanden overblijven zoals artikel 7:610b BW vereist.
3.7.
Verder heeft [eiser] tijdens de zitting aangegeven dat partijen een regeling hebben getroffen en dat D-Pers een deel van deze regeling is nagekomen, terwijl een ander deel nog openstaat. [eiser] heeft echter niet aangegeven hoeveel er is betaald en welk deel mogelijk nog openstaat. Hierdoor bestaat onduidelijkheid over de exacte omvang van de (eventuele) resterende vordering. In ieder geval volgt uit het standpunt van [eiser] dat op de bedragen zoals gevorderd inmiddels betalingen zijn verricht en de hoogte van die vorderingen reeds daarom niet juist kunnen zijn. Aldus ligt er een onvoldoende duidelijke en concrete vordering om toewijzing van de bedragen gebaseerd op een arbeidsomvang van 127,58 uur per vierwekenperiode in kort geding te rechtvaardigen. Overigens is het gelet op de regeling die partijen kennelijk hebben getroffen onduidelijk welk belang [eiser] thans nog heeft bij de gevraagde voorziening (artikel 3:303 BW Pro).
3.8.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan D-Pers moet betalen op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de eis af;
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van D-Pers worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
26975