Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning schorst. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 31 januari 2024 en stond gepland voor 3 februari 2026. Verzoekster kampt met schulden en wenst via schuldhulpverlening een regeling te treffen. Zij betaalt de lopende huurtermijnen en heeft een budgetbeheer ingesteld.
Verweerster, de verhuurder, stelt dat de huurschuld sinds oktober 2023 is opgelopen tot bijna € 5.900 en dat de ontruiming terecht is aangezegd. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie en dat het moratorium bedoeld is om de schuldenaar een adempauze te geven om schulden te regelen. De belangenafweging tussen verzoekster en verweerster leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject niet op korte termijn zal worden afgerond. De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 2 februari 2026 en verlengt de huurovereenkomst voor die periode. Schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uitbrengen.