ECLI:NL:RBROT:2026:401

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711015 / JE RK 25-2486
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van jeugdbescherming

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam op 6 januari 2026 een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter heeft de zaak behandeld in het kader van de jeugdbescherming, waarbij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond als verzoeker optrad. De ouders van de minderjarigen, de vader en de moeder, zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de kinderen verblijven momenteel bij de vader. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de thuissituatie bij de vader voldoende is, maar dat er gewerkt moet worden aan contactherstel tussen de kinderen en de moeder. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 8 juli 2026, met de beslissing dat deze uitvoerbaar bij voorraad is. Dit betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft benadrukt dat de inzet van beide ouders noodzakelijk is voor een succesvol contactherstel en dat er aandacht moet zijn voor de emotionele ondersteuning van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711015 / JE RK 25-2486
Datum uitspraak: 6 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.A. Hoogendijk, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 1 december 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • de aanvullende stukken van mr. Hoogendijk, waaronder het verweerschrift (vanuit de lopende familierechtelijke procedure) van 18 juni 2025 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 5 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Aangezien de vader en de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Syrisch-Arabische taal, heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling doen plaatsvinden met bijstand van [naam 2] , tolk in de Syrisch-Arabische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 juli 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 8 juli 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 oktober 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere gezagdragende ouder, te weten de vader, verlengd tot 8 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaf het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. In december heeft er een gezinsopname plaatsgevonden, maar de evaluatie is nog niet geweest. De GI kan in grote lijnen aangeven dat het voldoende was. In grote lijnen is er zicht gekomen op de thuissituatie bij de vader. De komende tijd wil de GI begeleiding in de thuissituatie bij de vader inzetten. Ook is het belangrijk dat de vader elke week informatie over de kinderen naar de moeder stuurt. Daarnaast is het belangrijk dat er gewerkt gaat worden aan het contact tussen de moeder en de kinderen. Dit gaat erg moeizaam. [minderjarige 1] is heel stellig en wil geen contact met de moeder, zelfs de school weet dat zij geen informatie over haar met de moeder kan delen. Bij [minderjarige 2] wordt wel meer ruimte gezien voor contactherstel met de moeder.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder maakt zich zorgen over de thuissituatie bij de vader. In de afgelopen periode zijn deze zorgen niet afgenomen. Ook is het in de afgelopen periode niet gelukt om het contact te herstellen. De moeder begrijpt dat dit wat [minderjarige 1] betreft lastig wordt. Uit het verzoekschrift blijkt dat [minderjarige 2] , als hij hiertoe wordt gedwongen, wel contact met de moeder wil. De moeder heeft er moeite mee dat hier niet wat meer mee gebeurt. Ook maakt de moeder zich zorgen over het gewicht van [minderjarige 2] . De moeder is het niet eens met de verlenging van de uithuisplaatsing, omdat zij niet vindt dat de kinderen bij de vader een veilige basis hebben. De moeder beseft ook dat de kinderen niet terug kunnen naar haar. De moeder hoopt dat de hulpverlenging tijdens de uithuisplaatsing zich gaat richten op contactherstel.
4.2.
De vader brengt ter zitting het volgende naar voren. De vader spreekt de hoop uit dat de kinderen blij worden en uiteindelijk contact kunnen hebben met de moeder. De vader staat ook open voor hulp in de thuissituatie. De vader geeft aan zijn best te doen om wekelijks informatie naar de moeder te sturen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al een langere tijd bij de vader en ontwikkelen zich daar goed. De kinderen hebben momenteel geen contact met de moeder en willen bij de vader blijven wonen. Er zal eerst een contactherstel plaats moeten vinden, voordat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eventueel terug kunnen naar de moeder. Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk.
5.3.
Hoewel de evaluatie van de gezinsopname van de vader met beide kinderen nog niet heeft plaatsgevonden, heeft de GI aangegeven dat de uitkomst zal zijn dat de thuissituatie bij de vader voldoende is. Hoe dan ook wil de GI hulpverlening in de thuissituatie bij de vader inzetten. De vader staat daarvoor open. De kinderrechter vindt het van belang dat er daarbij ook gekeken gaat worden naar het eetpatroon bij de vader thuis, met name in verband met de gezondheid van [minderjarige 2] . De kinderrechter acht het in verband met een positieve en stabiele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van belang dat er in de komende periode wordt gewerkt aan contactherstel met de moeder. Daarbij benadrukt de kinderrechter dat het niet te verwachten is dat er gelijk grote stappen worden gezet, omdat een dergelijk contactherstel tijd nodig heeft en dat geldt zeker voor [minderjarige 1] . Voor contactherstel is de inzet van beide ouders noodzakelijk, omdat de kinderen het gevoel moeten hebben dat zij onbelast contact kunnen en mogen hebben met de andere ouder. Het is positief dat de vader ter zitting aangegeven heeft zijn best te gaan doen om wekelijks informatie en foto’s over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te delen met de moeder. Ter zitting heeft de kinderrechter de GI, net als in een eerdere beschikking, meegegeven dat er gekeken dient te worden naar de mogelijkheden voor emotionele ondersteuning voor de kinderen. Dit kan ook van belang zijn voor het verkrijgen van vertrouwen van de kinderen in de moeder en dus voor het contactherstel.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag, te weten de vader, verlengen tot 8 juli 2026.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag, te weten de vader, tot 8 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.