ECLI:NL:RBROT:2026:402

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710463 / JE RK 25-2397
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van een minderjarige met schoolverzuim en mobiliteitsproblemen

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam op 6 januari 2026 een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2010. De kinderrechter heeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna de GI, verzocht om de ondertoezichtstelling van de minderjarige te verlengen voor de duur van zes maanden. De ouders van de minderjarige, de moeder en de vader, zijn belast met het ouderlijk gezag en hebben beiden hun instemming gegeven met het verzoek van de GI. De kinderrechter heeft de zitting met gesloten deuren gehouden, waarbij de ouders en vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren. Tijdens de zitting is het schoolverzuim van de minderjarige besproken, evenals haar mobiliteitsproblemen en de noodzaak van intensievere begeleiding. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de inzet van de GI noodzakelijk blijft om de ouders te ondersteunen in de opvoeding en om de minderjarige te stimuleren om naar school te gaan. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 10 juli 2026 en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710463 / JE RK 25-2397
Datum uitspraak: 6 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Atceken-Ata, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 20 november 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 21 november 2025;
  • het gezinsplan van de GI, ontvangen op 11 december 2025;
  • de brief van de huisarts van [minderjarige] van 24 november 2025, ingediend door mr. Atceken-Ata op 5 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader en verblijft ook regelmatig bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 januari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 10 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Het schoolverzuim van [minderjarige] loopt erg op en inmiddels is de afdeling leerplicht van de gemeente betrokken geraakt. [minderjarige] mag dit jaar niet doubleren, anders wordt zij van school gestuurd. [minderjarige] kampt met mobiliteitsproblemen. De school weet van de mobiliteitsproblemen van [minderjarige] en willen daarbij meedenken, maar de school mist motivatie bij [minderjarige] . Binnenkort krijgt [minderjarige] een nieuwe coach die intensiever bij haar betrokken zal zijn. De komende maanden worden nodig geacht om te monitoren hoe het gaat met school.

4.De standpunten

4.1.
Namens en door de moeder wordt ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder vindt het jammer dat school de pijn en mobiliteitsproblemen van [minderjarige] niet gelooft. De moeder is blij met intensievere begeleiding en zij hoopt dat op die manier [minderjarige] gemotiveerd raakt om vaker naar school te gaan.
4.2.
De vader heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader hoopt ook dat [minderjarige] weer naar school gaat. Hij geeft aan dat [minderjarige] soms moeite heeft met opstaan, omdat zij tot laat in de nacht op haar telefoon zit. De vader hoopt dat de nieuwe coach hier ook een rol in kan spelen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Sinds de inzet van MST-PSB zijn er positieve stappen gezet. Toch bestaan er nog forse zorgen over haar schoolgang en inmiddels is ook leerplicht betrokken. De kinderrechter begrijpt dat de situatie vanwege de mobiliteitsproblemen voor [minderjarige] lastig kan zijn. Tegelijkertijd komt het schoolverzuim ook voort uit een gebrek aan motivatie en zorgelijke telefoongebruik, waardoor [minderjarige] in de ochtend niet uit bed te krijgen is om naar school te gaan. Ook kan het zijn dat [minderjarige] verkeerde prioriteiten stelt en haar beperkte mobiliteit aanwendt voor andere zaken (bijvoorbeeld met vriendinnen buiten zijn) in plaats van voor het naar school gaan. Hoewel dit begrijpelijk is, is het huidige schooljaar voor [minderjarige] belangrijk, omdat zij niet nogmaals mag doubleren. Dan zal zij van school worden gestuurd en dat zou betekenen dat zij op mbo niveau 1 moet instromen. Dit kan ertoe leiden dat haar ontwikkeling verder zal stagneren en dat [minderjarige] haar motivatie helemaal verliest om zich in te zetten voor school. Ondanks de sterke wens van de ouders lukt het hen niet om [minderjarige] structureel naar school te laten gaan. De betrokkenheid van de GI blijft daarom noodzakelijk. Het is positief dat [minderjarige] binnenkort intensievere begeleiding zal krijgen van een jongerencoach. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat zij de motivatie vindt om zich in te zetten voor school en doorzet, zodat zij in de toekomst een studie kan doen die zij leuk vindt en die bij haar past.
5.3.
De inzet van de GI is ook nog nodig om de ouders te stimuleren op een positieve wijze en in het belang van [minderjarige] te blijven samenwerken en een lijn te trekken in de opvoeding. [minderjarige] heeft duidelijke grenzen en sturen nodig. De ouders dienen op een lijn te zitten over wat kan en wat niet mogelijk is. Dit heeft niet alleen te maken met de beperkte mobiliteit van [minderjarige] , maar die beperking zorgt ervoor dat het maken van duidelijke afspraken nog harder nodig.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de verzochte duur van zes maanden.
5.5.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 10 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.