ECLI:NL:RBROT:2026:403

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/10/712720 / KG ZA 26-4
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis in executiegeschil

In deze zaak vordert eiseres schorsing van de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis dat haar verplicht de gehuurde woning te verlaten. De rechtbank benadrukt dat in executiegeschillen het zogenoemde prognoseverbod geldt, waardoor de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing blijft. De voorzieningenrechter oordeelt dat het vonnis geen kennelijke juridische of feitelijke misslagen bevat en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een andere beslissing zouden rechtvaardigen.

Eiseres stelt dat het vonnis onjuist is vanwege bewijswaardering, disproportionaliteit en schending van hoor en wederhoor, en wijst op nieuwe verklaringen van buren. De rechtbank stelt echter dat deze argumenten betrekking hebben op de inhoud van het vonnis en niet op het executiegeschil, en dat de verklaringen van buren ook voor het vonnis beschikbaar hadden kunnen zijn.

De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van de verhuurder, Woonstad Rotterdam, bij snelle ontruiming en herverhuur van de woning zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij behoud van de woning. De proceskosten worden aan eiseres opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712720 / KG ZA 26-4
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. M.P. Harten,
tegen
STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R. van der Hoeff.
Partijen worden hierna [eiseres] en Woonstad genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiseres] is in een vonnis van 5 december 2025 van de kantonrechter in deze rechtbank (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, maar bekend onder zaaknummer 11432653 CV EXPL 24-30549) veroordeeld om de woning aan het adres [adres] in Rotterdam, die zij van Woonstad huurt, te ontruimen. Woonstad heeft de ontruiming aangezegd tegen 28 januari 2026. [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In dit kort geding, een executiegeschil, vordert [eiseres] – kort gezegd – schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist, onder druk van een dwangsom. Woonstad voert verweer. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiseres] af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 5 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 3;
  • de mondelinge behandeling op 13 januari 2026;
  • de pleitnota van mr. Harten;
  • de pleitnota van mr. Van der Hoeff.

3.De beoordeling

Het toetsingskader in een executiegeschil
3.1.
De kantonrechter heeft het vonnis van 5 december 2025 uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd en dat de uitkomst van het door [eiseres] ingestelde hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht. De beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, is niet gemotiveerd. Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis moet om die reden een belangenafweging plaatsvinden. Onderzocht moet worden of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [eiseres] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Woonstad om het vonnis nu al ten uitvoer te kunnen leggen. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan de voorzieningenrechter in haar oordeelsvorming betrekken of het vonnis berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag.
Het prognoseverbod
3.2.
[eiseres] betoogt in de eerste plaats dat er een reële kans bestaat dat het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. [eiseres] is in dit verband – samengevat weergegeven – van mening dat sprake is van (i) onjuiste bewijswaardering, (ii) onvoldoende motivering, (iii) schending van het beginsel van hoor en wederhoor, en (iv) disproportionaliteit van de uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen. Tot slot wijst [eiseres] op een door haar ingediend verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, waarmee [eiseres] verwacht voor haar ontlastende getuigenverklaringen te kunnen verkrijgen, en verzoekt zij de voorzieningenrechter om daar in dit executiegeschil rekening mee te houden.
3.3.
Al deze zaken hebben betrekking op de inhoud van de beslissing van de kantonrechter en de kans dat het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. In een executiegeschil moet echter worden uitgegaan van de inhoud van het vonnis en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Een executiegeschil is geen verkapt hoger beroep. Bovendien moet de kans van slagen van het door [eiseres] ingestelde hoger beroep buiten beschouwing worden gelaten (het zogenaamde prognoseverbod, zie hiervoor in 3.1.). De conclusie is dan ook dat de hiervoor in 3.2. genoemde argumenten van [eiseres] , wat daar verder ook van zij, niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis kunnen leiden.
Kennelijke feitelijke of juridische misslag
3.4.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het vonnis volgens [eiseres] twee kennelijke juridische misslagen bevat. In de ogen van [eiseres] heeft de kantonrechter ten onrechte een essentiële BRP-bevinding van de gemeente Rotterdam buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is [eiseres] van mening dat de kantonrechter de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis ten onrechte niet heeft gemotiveerd, terwijl dat gelet op de verstrekkende gevolgen van het vonnis wel vereist is om de proportionaliteit van de veroordeling tot ontruiming te waarborgen.
3.5.
Ook deze zaken zien in feite op de inhoud van het vonnis en kunnen om die reden niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging daarvan leiden. Bovendien wordt met een “kennelijke” misslag bedoeld dat voor derden overduidelijk moet zijn dat het vonnis een (in dit geval: juridische) vergissing bevat. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. De kantonrechter heeft geoordeeld dat een namens [eiseres] ingediende BRP-bevinding in strijd met de goede procesorde te laat is ingediend en dat document is om die reden buiten beschouwing gelaten. [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom dit een overduidelijke (en dus voor derden kenbare) juridische vergissing is. Dát de BRP-bevinding te laat is ingediend, is daarnaast geen vergissing van de kantonrechter maar een vergissing (of misslag) van de (voormalige) advocaat van [eiseres] , die voor rekening en risico van [eiseres] komt en niet ten nadele van Woonstad kan strekken. Verder kent de voorzieningenrechter geen wetsartikel of rechtsregel die voorschrijft dat een rechter de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van een ontruimingsvonnis moet motiveren om de proportionaliteit van de veroordeling tot ontruiming te waarborgen, zodat ook dat geen (kennelijke) juridische misslag oplevert.
Nieuwe feiten en omstandigheden
3.6.
Schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis kan ook aan de orde zijn in het geval dat zich ná het vonnis nieuwe feiten of omstandigheden voordoen, die – als de rechter die het vonnis heeft gewezen van die feiten of omstandigheden op de hoogte was geweest – tot een andere beslissing hadden geleid. [eiseres] stelt dat hier sprake van is en wijst er in dit verband op dat directe buren recent verklaringen hebben afgelegd.
3.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kwalificeren recent door de directe buren van [eiseres] afgelegde verklaringen niet als nieuwe feiten of omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin. Met dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden wordt namelijk gedoeld op zaken die zich niet voor het wijzen van het vonnis hebben voorgedaan en/of waarvan de rechter die het vonnis heeft gewezen om die reden niet op de hoogte kón zijn. Voor wat betreft de verklaringen van directe buren van [eiseres] geldt dat zij die verklaringen ook voor het wijzen van het vonnis had kunnen opvragen, bijvoorbeeld in het kader van het leveren van bewijs tegen de verklaringen van de op verzoek van Woonstad door de kantonrechter gehoorde getuigen. De gevolgen van de keuze van [eiseres] om af te zien van het horen van getuigen (in contra-enquête) en pas na het wijzen van het vonnis verklaringen bij derden op te vragen, komen dan ook voor haar rekening en risico en kunnen niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis leiden.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van Woonstad
3.8.
Zoals in 3.1. al is overwogen, moet een belangenafweging plaatsvinden. Het gaat daarbij om een afweging van het belang van [eiseres] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist tegenover het belang van Woonstad bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis en, in het verlengde daarvan, de mogelijkheid om de, grote, woning zo snel mogelijk te kunnen verhuren.
3.9.
In het kader van de belangenafweging voert [eiseres] het volgende aan. Tenuitvoerlegging van het vonnis laat aan de kant van [eiseres] een noodtoestand ontstaan. Door de ontruiming raakt zij dakloos en verliest zij de woning waarin zij al sinds 1996 woont. [eiseres] wordt daarmee aangetast in haar persoonlijk leven. Het belang van [eiseres] bij behoud van de bestaande toestand totdat onherroepelijk op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist, weegt daarom naar de mening van [eiseres] zwaarder dan het belang van Woonstad.
3.10.
Ten aanzien van haar belang bij tenuitvoerlegging van het vonnis voert Woonstad het volgende aan. Woonstad verhuurt woningen aan minder draagkrachtigen. In Rotterdam heerst grote schaarste aan betaalbare huurwoningen voor deze doelgroep. De verdeling van
betaalbare huurwoningen vindt plaats op basis van het woningtoewijzingsbeleid dat geldt
binnen de gemeente Rotterdam. Woonstad houdt zich hier strikt aan. Zij staat niet toe dat dit beleid wordt omzeild. Juist vanwege de algemeen bekende woningschaarste en het behoud van de leefbaarheid in de buurten en wijken waar zij woningen verhuurt, is het voor Woonstad van groot belang dat haar huurders de woning zelf bewonen en er hun hoofdverblijf houden. Doordat [eiseres] de woning heeft aangehouden terwijl zij daarin niet haar hoofdverblijf heeft en de woning jarenlang aan haar zoon in gebruik heeft gegeven, kon de woning niet opnieuw worden verhuurd en heeft [eiseres] bijgedragen aan het in stand houden van de schaarste, nog los van de schade die Woonstad heeft geleden doordat zij de huurprijs niet heeft kunnen harmoniseren. Omdat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [eiseres] de woning niet bewoont, wenst Woonstad haar schade te beperken en de woning te verhuren aan een kandidaat die op de wachtlijst staat. Elke woning die de wachtlijst kan inkorten, is van grote waarde.
3.11.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging uitvalt in het voordeel van Woonstad. Het is inherent aan de veroordeling tot ontruiming dat [eiseres] haar huurwoning kwijtraakt, dat zij mogelijk dakloos raakt – hoewel dat op grond van het vonnis moet worden betwijfeld – en dat dit invloed heeft op het leven van [eiseres] . Dit zijn omstandigheden die de kantonrechter bij de beslissing om de huurovereenkomst te ontbinden en [eiseres] te veroordelen tot ontruiming al in acht heeft genomen en die omstandigheden kunnen om die reden niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis leiden. Dat los van deze omstandigheden aan de kant van [eiseres] een noodtoestand zal ontstaan als zij haar woning moet ontruimen, heeft [eiseres] niet uitgelegd. Woonstad heeft er bovendien een duidelijk belang bij om het vonnis ten uitvoer te kunnen leggen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [eiseres] niet haar hoofdverblijf in de woning heeft gehouden. Daar moet de voorzieningenrechter in dit executiegeschil dan ook van uitgaan. Gelet daarop en gelet op het onweersproken gesteld door Woonstad strikt gehanteerde toewijzingsbeleid van haar huurwoningen heeft Woonstad er een zwaarwegend belang bij om de woning zo snel mogelijk te kunnen ontruimen en de woning vervolgens te kunnen verhuren aan een andere minder draagkrachtige huurder die wel zijn of haar hoofdverblijf in de woning houdt. Daarbij speelt ook een rol dat het algemeen bekend is dat sociale huurwoningen schaars zijn en dat mensen vele jaren op een wachtlijst moeten staan voordat zij voor een dergelijke woning in aanmerking komen.
De conclusie
3.12.
De conclusie is dat er geen gronden zijn om de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen. De primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van [eiseres] , die er alle in de kern op neerkomen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis moet worden geschorst, worden om die reden afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten van Woonstad betalen
3.13.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonstad worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 715,00 (tarief eenvoudige zaak)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.628,00
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.14.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.628,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
3349 / 2009