Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4040

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/703424 / FA RK 25-5438 en 712888 / FA RK 26-106
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige na uithuisplaatsing

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om het gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen en de gecertificeerde instelling (GI) Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot voogd te benoemen. Tevens werd verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, waarvan reeds zes maanden waren verleend.

De moeder is in december 2025 uitgezet naar Litouwen vanwege een belast verleden met verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek en heeft een detoxbehandeling niet afgerond. Zij is sindsdien onbereikbaar en verblijft vermoedelijk in België, met een mogelijk inreisverbod voor Nederland. De minderjarige verblijft in een pleeggezin en ontwikkelt zich goed.

De kinderrechter oordeelt dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding kan hervatten, waardoor de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd. Gezien de ernst van de situatie en het ontbreken van vooruitgang wordt het gezag van de moeder beëindigd en de GI benoemd tot voogd om noodzakelijke beslissingen te kunnen nemen.

De moeder moet verantwoording afleggen over het vermogen van de minderjarige aan de GI. De beschikking is direct uitvoerbaar en het subsidiaire verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat het primaire verzoek wordt toegewezen.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/703424 / FA RK 25-5438
C/10/712888 / FA RK 26-106
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en een gezagsbeëindiging
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, verblijvende op een onbekend adres in het buitenland,
bijgestaan door advocaat mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 20 augustus 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het rapport van de Raad van 7 januari 2026 met bijlagen.
1.2.
Op 11 februari 2026 is de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 augustus 2025 het primaire verzoek van de Raad tot schorsing van het gezag van de moeder en het belasten van de GI met de voogdij over [minderjarige] afgewezen. Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter het subsidiaire verzoek (deels) toegewezen en [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 augustus 2026 en een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 februari 2026. De beslissing op de overig verzochte duur van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden.
2.4.
De GI heeft zich bij brief van 5 januari 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3.De (aangehouden) verzoeken van de Raad

t.a.v. C/10/703424 / FA RK 25-5438
3.1.
De Raad heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van negen maanden. Hiervan zijn reeds zes maanden verleend. Er dient nog te worden beslist over de resterende drie maanden.
t.a.v. C/10/712888 / FA RK 26-106
3.2.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen.

4.De standpunten

4.1.
Ter zitting licht de Raad de (aangehouden) verzoeken als volgt toe. De moeder is in december 2025 uitgezet naar Litouwen. De moeder heeft een belast verleden met verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek. Er is veel hulpverlening ingezet. Zo is een begeleider meegereisd met de uitzetting van de moeder naar Litouwen om een detox behandeling mogelijk te maken. De moeder heeft deze behandeling niet afgerond, zij heeft de detoxkliniek voortijdig verlaten. Er is volgens de Raad onvoldoende vooruitgang bij de moeder zichtbaar. Hoewel de moeder het beste wil voor [minderjarige] , kan zij haar dat niet bieden. De moeder is al enige tijd onbereikbaar en verblijft volgens de Raad op dit moment in België. Dit levert problemen op bij het nemen van noodzakelijke gezagsbeslissingen over [minderjarige] . Het is niet de verwachting dat de moeder binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding weer op zich kan nemen. Om deze reden handhaaft de Raad primair het verzoek om het gezag van de moeder te beëindigen. Subsidiair handhaaft de Raad het aangehouden verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
4.2.
De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij de verzoeken van de Raad. Het gaat goed [minderjarige] in het pleeggezin en zij ontwikkelt zich positief. Zij verblijft inmiddels bij een nieuwe pleegmoeder. De vorige pleegmoeder blijft betrokken in haar leven, onder andere omdat de pleegmoeders elkaar op school tegenkomen. De GI heeft contact weten te leggen met de vader, omdat hij gedetineerd is in [detentieadres] . De vader heeft ingestemd met een vaderschapstest. De GI acht dit een positieve ontwikkeling, mede in verband met een eventuele omgang tussen [minderjarige] en de oma van vaderszijde. Ten aanzien van het verzoek betreffende het gezag brengt de GI het volgende naar voren. De omgang tussen de moeder en [minderjarige] heeft uitsluitend plaatsgevonden gedurende de detentie van de moeder. Sinds de uitzetting van de moeder heeft geen omgang meer plaatsgevonden. De moeder is niet bereikbaar op de bij de GI bekende telefoonnummers. De GI ervaart problemen in de uitvoering van de ondertoezichtstelling, doordat de moeder onbereikbaar is. De pleegmoeder wil met [minderjarige] naar Duitsland reizen, maar door het ontbreken van contact met de moeder kan er geen paspoort worden aangevraagd. De GI acht het noodzakelijk dat het gezag bij haar wordt belegd, zodat in het belang van [minderjarige] tijdig beslissingen kunnen worden genomen.
4.3.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij geen recentelijk contact meer met de moeder heeft gehad. Vlak voor indiening van het verzoek heeft hij de moeder telefonisch gesproken. De moeder verbleef toen in België en gaf aan naar Nederland te willen komen. Nadien heeft hij de moeder niet meer kunnen bereiken. Ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing heeft de advocaat verklaard dat de moeder daarmee instemt en het goed vindt dat [minderjarige] bij de huidige pleegmoeder verblijft. Betreffende het verzoek tot beëindiging van het gezag heeft de advocaat geen inhoudelijk standpunt kunnen innemen, omdat hij dit niet met de moeder heeft kunnen bespreken.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de kinderrechter het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de kinderrechter ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de kinderrechter bij haar beslissing voorop. De kinderrechter weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
5.3.
Naar het oordeel van de kinderrechter wordt de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. De moeder heeft een belast verleden met verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek. Er is gedurende langere tijd intensieve hulpverlening ingezet. De moeder is in december 2025 uitgezet naar Litouwen om daar een detox behandeling te volgen. Zij heeft deze behandeling echter niet afgerond. Sindsdien is zij niet teruggekeerd naar Nederland en verblijft zij momenteel vermoedelijk in België. De moeder zou ook een (tijdelijk) inreisverbod voor Nederland hebben. De moeder is al geruime tijd (ook telefonisch) onbereikbaar voor de betrokken instanties en verschijnt niet bij omgangsmomenten. Sinds haar uitzetting heeft geen omgang meer plaatsgevonden. De moeder kan, mede omdat zij niet in Nederland mag verblijven en het risico loopt opnieuw te worden aangehouden, feitelijk geen uitvoering geven aan haar gezag. [minderjarige] is nog zeer jong en heeft behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid over haar opvoedperspectief. Zij verblijft bij een pleegmoeder waar het goed met haar gaat en zij zich passend bij haar leeftijd ontwikkelt. Gelet op haar jonge leeftijd is haar aanvaardbare termijn kort. De kinderrechter heeft, gelet op de inmiddels verstreken periode waarin de moeder niet voor [minderjarige] heeft kunnen zorgen en het uitblijven van structurele verbetering in de situatie van de moeder, geen reële verwachting dat de moeder binnen voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf de verzorging en opvoeding op zich kan nemen. Dit geldt des te meer nu de moeder haar detoxbehandeling in Litouwen niet heeft afgerond. Een lichtere maatregel is daarom onvoldoende om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
5.4.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De kinderrechter benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De GI heeft verklaard dat te willen doen. De kinderrechter is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen. De kinderrechter acht dit in het belang van [minderjarige] , omdat de GI reeds bij haar betrokken is en heeft toegelicht dat zij in de uitvoering van de ondertoezichtstelling tegen concrete belemmeringen aanloopt, zoals het ontbreken van toestemming voor het aanvragen van een paspoort alsmede voor (noodzakelijke) medische behandelingen, waaronder vaccinaties. Door de voogdij bij de GI te beleggen kunnen noodzakelijke beslissingen tijdig en zonder verdere vertraging worden genomen.
5.5.
De kinderrechter zal bepalen dat de moeder aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.
5.6.
De beslissing tot beëindiging van het gezag van de moeder en de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige] zal van rechtswege worden aangetekend in het gezagsregister.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing tot dusver uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
Omdat het primaire verzoek wordt toegewezen, komt de kinderrechter aan beoordeling van het subsidiair verzochte niet meer toe. De kinderrechter zal het subsidiaire verzoek daarom afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[naam moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1989 in [geboorteplaats 2] , over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats 1] ;
6.2.
benoemt
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd in Rotterdam tot voogd over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het anders of overig verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 door mr. A. Verweij, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.