Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4052

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/715210 / JE RK 26-337
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en opheffing spoedmachtiging minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die eerder op spoedbasis uit huis was geplaatst na een incident met politiebetrokkenheid. De minderjarige was inmiddels weer thuis bij haar moeder, die het verzoek tot verlenging betwistte en pleitte voor een verblijf thuis met ondersteuning vanuit het netwerk.

De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord en constateert dat de spanningen tussen moeder en kind regelmatig oplopen, maar dat het alternatief van uithuisplaatsing op dit moment minder wenselijk is. Er is zicht op de situatie nu de minderjarige thuis verblijft, en er is een traject van hulpverlening gestart, waaronder een jongerencoach en een geplande gezinsopname.

Gezien deze omstandigheden en de inzet van hulpverlening acht de kinderrechter een uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk. Daarom wordt het verzoek tot verlenging afgewezen en de spoedmachtiging opgeheven. De moeder en minderjarige worden aangespoord om samen met de hulpverlening te werken aan het verminderen van spanningen en het voorkomen van escalaties.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen en spoedmachtiging opgeheven omdat minderjarige weer thuis woont en hulpverlening is ingezet.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715210 / JE RK 26-337
Datum uitspraak: 2 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door advocaat mr. M.P. Kloppenburg, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van 19 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
Op 2 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont sinds vrijdag 27 februari jl. weer bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 september 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 september 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 februari 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 19 maart 2026. De kinderrechter heeft op dit deel beslist zonder de belanghebbende hierover te horen. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek van de GI

3.1.
De GI heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verzocht in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. Dit deel van het verzoek is reeds toegewezen. De belanghebbende dient nog hierover te worden gehoord. Aansluitend heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen met één maand. Op dit deel van het verzoek zal nog moeten worden beslist. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Recent heeft zich een incident voorgedaan tussen de moeder en [minderjarige] waarbij de politie is betrokken. Naar aanleiding daarvan is door de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen en is [minderjarige] door de politie meegenomen. [minderjarige] is op een crisisplek geplaatst in Rotterdam en later in Nijmegen. Vervolgens is [minderjarige] weggelopen en verbleef zij bij een vriendin. Inmiddels is [minderjarige] weer thuis bij de moeder. De GI staat voor een lastig dilemma. Enerzijds is bekend dat de spanningen tussen de moeder en [minderjarige] thuis regelmatig oplopen en kunnen escaleren. Anderzijds bestaat de zorg dat [minderjarige] opnieuw zal weglopen indien zij uit huis wordt geplaatst en zij daarmee buiten zicht raakt. Op dit moment verblijft [minderjarige] thuis, waardoor er in ieder geval zicht is op de situatie. [minderjarige] en de moeder zijn aangemeld voor een gezinsopname bij GezinTotaal. Deze opname zal naar verwachting in juni of juli starten en zal ongeveer zes weken duren. In dit traject zal worden onderzocht hoe de interactie tussen de moeder en [minderjarige] verloopt en welke hulp nodig is om de thuissituatie te stabiliseren. Daarnaast start in de komende week een jongerencoach die [minderjarige] zal begeleiden. De GI zal samen met de jongerencoach en het wijkteam bezien welke ondersteuning in de tussentijd, in afwachting van de gezinsopname, kan worden ingezet. Verder wordt onderzocht op welke manier het netwerk van [minderjarige] kan worden ingezet, bijvoorbeeld door tijdelijk bij haar oudere zus te verblijven in de weekenden, zodat de spanningen thuis kunnen afnemen.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Namens de moeder is ter zitting verzocht het (aangehouden) verzoek van de GI af te wijzen. Door en namens de moeder is dit als volgt toegelicht. Volgens de moeder is een uithuisplaatsing niet in het belang van [minderjarige] , nu [minderjarige] aankondigt dat zij dan zal weglopen. Namens de moeder is naar voren gebracht dat een verblijf van [minderjarige] thuis, met een eventuele uitwijkmogelijkheid naar haar oudere zus in Groningen, op dit moment de minst slechte optie lijkt. De oudere zus van [minderjarige] heeft aangegeven dat [minderjarige] bij haar terecht kan en mogelijk af en toe bij haar kan verblijven. Dit kan helpen om de spanningen thuis tijdelijk te laten afnemen wanneer dat nodig is. Ten aanzien van de recente crisissituatie betwist de moeder dat zij [minderjarige] heeft geslagen. Volgens haar is de politie gekomen omdat meldingen waren gedaan van geschreeuw. De moeder en [minderjarige] hebben beiden een harde stem en wonen in een oud huis, waardoor geluid snel hoorbaar is voor de buren. De moeder erkent dat de spanningen tussen haar en [minderjarige] soms hoog kunnen oplopen. Volgens haar vertoont [minderjarige] zelfbepalend gedrag en accepteert zij het gezag van de moeder moeilijk. De moeder staat open voor hulpverlening en heeft aangegeven dat zij de gezinsopname wil aangaan. Zij wil graag begrijpen waarom de spanningen tussen haar en [minderjarige] steeds oplopen en hoe zij dit samen kunnen doorbreken. De moeder heeft benadrukt dat zij van haar dochter houdt en dat zij wil dat hun onderlinge verhouding verbetert.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet langer nodig is. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de spanningen tussen de moeder en [minderjarige] thuis regelmatig hoog kunnen oplopen. Recent heeft zich een incident voorgedaan waarbij de politie is betrokken geweest. Naar aanleiding daarvan is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend en is [minderjarige] tijdelijk op een crisisplek geplaatst. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] daarna is weggelopen van de crisisplek en enige tijd buiten beeld is geweest. Sinds vrijdag verblijft zij weer thuis bij de moeder. Daarmee is op dit moment duidelijkheid over [minderjarige] ’s verblijfplek en is er zicht op haar situatie. De kinderrechter ziet dat de situatie tussen de moeder en [minderjarige] ingewikkeld is en dat er spanningen zijn in de thuissituatie. Dit is ook niet de eerste keer dat deze situatie zich voordoet. De kinderrechter heeft [minderjarige] en de moeder eerder dit jaar al een in een vergelijkbare situatie gesproken. Tegelijkertijd blijkt dat het alternatief, waarbij [minderjarige] uit huis wordt geplaatst, nog minder wenselijk is dan de huidige situatie. Onder deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat een uithuisplaatsing op dit moment dan ook niet het aangewezen middel is.
5.3.
Daarbij weegt de kinderrechter mee dat inmiddels hulpverlening op gang komt. Zo zal op korte termijn een jongerencoach starten en is een gezinsopname bij GezinTotaal gepland, die naar verwachting over enkele maanden zal starten. Daarnaast zal worden onderzocht op welke wijze het netwerk van [minderjarige] kan worden ingezet, bijvoorbeeld door tijdelijk bij haar oudere zus te verblijven wanneer de spanningen thuis oplopen. De kinderrechter acht het van belang dat de moeder en [minderjarige] in de komende periode samen met de hulpverlening actief werken aan het verminderen van de spanningen en het verbeteren van hun onderlinge verhouding.
5.4.
Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen. De kinderrechter ziet daarnaast aanleiding om de eerder verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing op te heffen.
5.5.
De kinderrechter geeft de moeder en [minderjarige] opnieuw mee dat zij de komende periode hun uiterste best moeten doen om nieuwe escalaties te voorkomen. Wanneer de spanning oploopt, kan het helpen om tijdelijk afstand te nemen of gebruik te maken van steun uit het netwerk, bijvoorbeeld bij de oudere zus van [minderjarige] . Het is belangrijk dat zij samen met de hulpverlening toewerken naar de geplande gezinsopname, zodat er structureel verbetering kan komen in hun onderlinge verhouding.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
heft de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder op met ingang van heden;
6.2.
wijst het verzoek voor het overige af, voor zover hierop niet eerder is beslist.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.