Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4053

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/705217 / JE RK 25-1710
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens onveilige thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen met een jaar, waarvan zes maanden reeds waren verleend. De kinderrechter heeft op 2 maart 2026 de zitting voortgezet, waarbij de ouders niet aanwezig waren. De kinderen wonen bij hun ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over het oudste kind en de moeder over het jongste.

De Raad en de gezinsvoogd (GI) rapporteerden dat ondanks enkele positieve ontwikkelingen, zoals minder schrikreacties op school en verbeterde samenwerking met de ouders, er nog steeds ernstige zorgen zijn over de thuissituatie. De kinderen vertelden over veel ruzies en fysieke agressie thuis, en vertonen zorgelijk gedrag, waaronder het horen van stemmen door het oudste kind.

De kinderrechter concludeert dat de eerder vastgestelde ontwikkelingsbedreiging niet is weggenomen. Er is onvoldoende zicht op het dagelijks functioneren en de noodzakelijke hulpverlening is nog niet voldoende op gang gekomen. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 4 september 2026 en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De ouders worden aangespoord actief mee te werken aan de hulpverlening om de situatie te verbeteren.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd tot 4 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/705217 / JE RK 25-1710
Datum uitspraak: 2 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats ] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats ] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]en
[naam vader],
hierna te noemen de moeder en de vader, tezamen de ouders, wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 4 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het rapport van de Raad van 10 februari 2026.
1.2.
Op 2 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 september 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 4 maart 2026. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek van de Raad

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Hiervan zijn reeds zes maanden verleend. De beslissing is voor het overige aangehouden. Er dient nog te worden beslist op de resterende zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Ten aanzien van de meest recente ontwikkelingen refereert de Raad zich aan de informatie van de GI. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op school minder schrikreactie vertonen bij onverwachte bewegingen, hebben zij in het verleden veel onveiligheid ervaren bij de ouders thuis. Er spelen nog veel zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is van belang dat er snel meer zicht komt en hulpverlening ingezet wordt.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het heeft enige tijd geduurd voordat contact met de ouders tot stand kwam. Inmiddels heeft een eerste huisbezoek plaatsgevonden en is een herstelgesprek gevoerd. Sindsdien verloopt de samenwerking met de ouders beter. De GI acht dit een positieve ontwikkeling. De ouders geven enerzijds aan dat zij willen leren, maar hebben anderzijds moeite met het accepteren van hulpverlening. Op dit moment zijn er nog altijd zorgen over de thuissituatie. Er is sprake van veel spanningen en vermoedens van huiselijk geweld tussen de ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vertellen dat er thuis veel ruzie is en dat er sprake is van fysieke agressie. Daarnaast vertonen beide kinderen zorgelijk gedrag. [minderjarige 2] laat veel gedragsproblemen zien, terwijl [minderjarige 1] aangeeft dat hij stemmen hoort. Beide kinderen geven aan dat zij thuis willen blijven wonen bij de ouders. Om deze reden is intensieve hulpverlening in het gezin noodzakelijk. De komende periode zal hulpverlening opgestart worden en zal meer zicht moeten komen op de thuissituatie om te beoordelen of deze voldoende veilig is. Omdat de jeugdbeschermer een vertrouwensband heeft opgebouwd met de ouders, wil de GI de ouders op dit moment nog een kans bieden om onder de regie van de GI de hulpverlening aan te gaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 september 2025 geoordeeld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De zorgen zien onder meer op spanningen tussen de ouders, schoolverzuim en problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat deze ontwikkelingsbedreiging nog niet voldoende is weggenomen. Uit het raadsrapport en de mondelinge behandeling blijkt dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over de thuissituatie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vertellen dat er thuis veel ruzie is en dat er sprake is van fysieke agressie tussen de ouders. Daarnaast vertonen beide kinderen zorgelijk gedrag. [minderjarige 2] laat veel gedragsproblemen zien en [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij stemmen hoort.
5.4.
Er zijn ook positieve ontwikkelingen zichtbaar. Zo geeft de Raad aan dat de kinderen op school minder schrikreacties laten zien bij onverwachte bewegingen. Ook rapporteert de GI dat sinds het herstelgesprek tussen de jeugdbeschermer en de ouders een betere samenwerkingsrelatie is ontstaan. De kinderrechter dit een positieve ontwikkeling.
5.5.
Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat nu er meer zicht ontstaat op de situatie in het gezin, de aanwezige zorgen daarmee worden bevestigd. De informatie van de kinderen en de signalen die bij de GI bekend zijn geworden wijzen erop dat er mogelijk nog steeds sprake is van een onveilige thuissituatie. Daarnaast is er nog onvoldoende zicht op het dagelijks functioneren van het gezin en is de noodzakelijke hulpverlening nog niet voldoende op gang gekomen. Daarmee is de eerder vastgestelde ontwikkelingsbedreiging nog niet weggenomen.
5.6.
De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat de jeugdbeschermer de komende periode betrokken blijft, zodat er meer zicht komt op de veiligheid in de thuissituatie en de benodigde hulpverlening daadwerkelijk wordt ingezet. Daarbij merkt de kinderrechter op dat er veel van de ouders wordt verwacht. Het is hun verantwoordelijkheid om de hulpverlening met beide handen aan te pakken en actief mee te werken aan de stappen die nodig zijn om de situatie thuis te verbeteren. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, bestaat het risico dat de problemen verder toenemen wanneer de huidige zorgen blijven bestaan.
5.7.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen met het resterende deel van het verzoek.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 4 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.