Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4064

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/714501 / JE RK 26-238
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens moeizame ouderlijke verhoudingen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2017 en 2019. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar de relatie tussen hen verloopt moeizaam, wat spanning veroorzaakt bij de kinderen. De kinderen verblijven bij de moeder en haar vader.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat beide ouders begeleiding ontvangen en zich inzetten voor de opvoeding, maar dat de spanningen tussen hen blijven voortduren. De kinderen worden soms als doorgeefluik gebruikt, wat hun welzijn schaadt. Daarnaast is het zorgelijk dat er al bijna vijf maanden geen vaste jeugdbeschermer aan het gezin is toegewezen, waardoor de uitvoering van de ondertoezichtstelling niet optimaal is.

Gezien deze omstandigheden acht de kinderrechter verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk, maar voor een kortere periode van vier maanden om de situatie nauwlettend te kunnen volgen. De gecertificeerde instelling wordt verzocht om tijdig een rapportage te overleggen over de stand van zaken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de zaak wordt aangehouden tot een zitting op 17 juni 2026.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de twee minderjarige kinderen wordt verlengd tot 19 juli 2026 met een aanhouding van verdere beslissing tot 17 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714501 / JE RK 26-238
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 5 februari 2026;
- twee brieven van de moeder van 3 maart 2026 inhoudende onder andere een verzoek aan de kinderrechter tot een vervangende toestemming voor de aanvraag van id kaarten voor de kinderen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn begeleider van It’s4Sure;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De moeder is niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

2 De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven met de moeder bij de opa mz.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 19 maart 2026.
Tekst

3.De verzoeken

Verlenging ondertoezichtstelling
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Beide ouders hebben zich het afgelopen jaar ingezet voor de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Zij ontvangen beide opvoedondersteuning: de moeder van ASVZ en de vader van It’s4Sure. De verhouding tussen de ouders blijft tegelijkertijd moeizaam. Zij maken zich over en weer zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder en betrekken de kinderen daarbij. Met name [voornaam minderjarige 1] wordt soms gebruikt als doorgeefluik tussen de ouders. Dit zorgt voor spanning bij de kinderen. Om deze reden dient de GI betrokken te blijven om de hulpverlening door te zetten en zicht te behouden op de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen.
Vervangende toestemming
3.3.
De moeder heeft op 3 maart 2026 de kinderrechter per brief verzocht vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van identiteitsbewijzen voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De moeder heeft haar schriftelijke verzoek niet nader toegelicht ter zitting.

4.Het standpunt van de vader

4.1.
De vader heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader kan zich vinden in een verlenging van de ondertoezichtstelling. Beide ouders ontvangen begeleiding; de vader van Anonieme Alcoholisten (AA) en It’s4Sure en de moeder van ASVZ. Desondanks heeft de vader zorgen over de kinderen in de thuissituatie bij de moeder. Om deze reden is het van belang dat er toezicht blijft op de situatie van de kinderen en dat hulpverlening wordt voortgezet. Er is echter al enkele maanden geen vaste jeugdbeschermer betrokken bij het gezin. Daarom zal zo snel mogelijk weer een jeugdbeschermer moeten worden toegewezen, zodat de maatregel ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Tot slot betwist de vader de standpunten die de moeder schriftelijk heeft ingenomen. De vader was zich er niet van bewust dat voor instemming met de aanvraag van de identiteitsbewijzen documenten meegestuurd moesten worden. Uiteraard wil hij er aan meewerken. Hij zal deze documenten aan de moeder versturen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de verhouding tussen de ouders nog steeds moeizaam verloopt. Hoewel er inmiddels duidelijkheid is gekomen over de scheiding en de omgangsregeling, blijven ouders over en weer zorgen uiten over de opvoedsituatie bij de andere ouder. Kinderen hebben last van de spanningen en negativiteit tussen ouders. Het is belangrijk dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet betrokken worden bij volwassen problematiek en dat zij niet het gevoel krijgen dat zij moeten kiezen tussen hun ouders. Tegelijkertijd ziet de kinderrechter ook positieve ontwikkelingen. De hulpverleners zien twee liefdevolle betrokken ouders die zich inzetten voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Daarnaast ontvangen beide ouders ondersteuning vanuit hulpverlening en werken zij daar goed aan mee. Het is belangrijk dat deze ondersteuning de komende tijd wordt voortgezet.
5.3.
De kinderrechter vindt het zorgelijk dat er al geruime tijd geen vaste jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin. Een ondertoezichtstelling kan alleen effectief zijn wanneer de maatregel ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Tijdens de zitting is gebleken dat de GI al bijna 5 maanden geen vaste jeugdbeschermer aan het gezin heeft gekoppeld. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat hier op korte termijn duidelijkheid over komt.
5.4.
Gelet op de problematiek is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] echter voor kortere duur van vier maanden om een vinger aan de pols te houden of de ondertoezichtstelling wel wordt uitgevoerd. Voor het overige wordt de beslissing op het verzoek aangehouden.
5.5.
De kinderrechter verwacht dat de GI in de komende periode een jeugdbeschermer aan het gezin koppelt en uitvoering geeft aan de ondertoezichtstelling.
5.6.
De GI wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde zittingsdatum een briefrapportage (met afschrift aan de belanghebbenden) te overleggen over de dan actuele stand van zaken.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 19 juli 2026;
6.2.
verklaart de beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de GI en de belanghebbenden in deze zaak zal plaatsvinden op
17 juni 2026te
11:30 uurin het gerechtsgebouw te
Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;
6.4.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M.A. van der Laan-Kuijt;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI en de belanghebbenden;
6.6.
vraagt de griffier [voornaam minderjarige 1] op te roepen voor het kindgesprek;
6.7.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden) de onder 5.6. verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.