Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4076

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/704490 HA ZA 25-646
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 6:212 BWArt. 6:83 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling reinigingswerkzaamheden schip en bewijsopdracht inzake toezegging indirect bestuurder

Martens heeft in 2021 en 2024 reinigingswerkzaamheden uitgevoerd aan het binnenvaartschip de Oostzee, waarvan de betaling door de huidige eigenaar, [gedaagde], wordt betwist. De rechtbank oordeelt dat voor de werkzaamheden in 2021 geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatig handelen door [gedaagde], mede omdat zij toen nog niet eigenaar was. Martens krijgt de gelegenheid bewijs te leveren voor een vermeende toezegging van een indirect bestuurder namens [gedaagde] om de factuur van 2021 te betalen.

Voor de werkzaamheden in 2024 aan tank 10 van de Oostzee is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] als eigenaar ongerechtvaardigd is verrijkt en Martens daardoor is verarmd. De reiniging was noodzakelijk en is uitgevoerd met instemming van een contactpersoon, waarbij geen bruikbare brandstof verloren is gegaan. De vordering tot betaling van € 39.146,46 plus wettelijke rente wordt toegewezen.

De vordering van [gedaagde] tot schadevergoeding wegens vermeend verlies van brandstof wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het conservatoire beslag van Martens op het schip wordt niet onrechtmatig bevonden en blijft gehandhaafd. Verdere beslissingen worden aangehouden in afwachting van bewijslevering over de toezegging van betaling voor 2021.

Uitkomst: Betaling factuur reinigingswerkzaamheden 2024 toegewezen, bewijsopdracht voor toezegging betaling 2021 opgelegd, schadevergoeding vordering afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/704490 / HA ZA 25-646
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
MARTENS HAVENONTVANGSTINSTALLATIE VLISSINGEN B.V.,
gevestigd te Borsele,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Martens,
advocaat: mr. E. Sonneveld te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te Vlaardingen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.J. op ’t Ende te Numansdorp.

1.De kern van het geschil

Martens heeft in 2021 en 2024 reinigingswerkzaamheden verricht aan boord van het binnenvaartschip de Oostzee, maar heeft hier nooit betaald voor gekregen. Martens spreekt in deze procedure [gedaagde] - de huidige eigenaar van de Oostzee - aan tot betaling voor deze werkzaamheden. [gedaagde] betwist dat zij hiervoor kan worden aangesproken en voert op haar beurt aan dat zij door de werkzaamheden van Martens in 2024 juist schade heeft opgelopen, omdat daarbij brandstof verloren zou zijn gegaan en vordert hiervoor in reconventie onder meer een vergoeding.
De rechtbank oordeelt dat Martens voor de vordering die ziet op het werk in 2021 bewijs mag leveren en dat de vordering van Martens voor het werk uit 2024 kan worden toegewezen. Het verzoek tot schadevergoeding van [gedaagde] zal de rechtbank afwijzen. Hieronder wordt dit nader toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 juni 2025, met producties 1 tot en met 11;
- de herstelexploten van 15 juli 2025, 23 juli 2025 en 24 juli 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 15 oktober 2025;
- de brieven van de rechtbank van 29 oktober 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald op 3 februari 2026;
- het bericht van de rechtbank van 23 december 2025, met daarin een zittingsagenda;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging van eis in conventie van 3 februari 2026, met producties 12 tot en met 27;
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Sonneveld en Op ’t Ende.
2.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Martens is onder meer specialist op het gebied van maritieme en industriële schoonmaakdiensten en heeft expertise in het schoonmaken van binnenvaart- en zeeschepen.
3.2.
[gedaagde] is thans eigenaar van het binnenvaartschip met de naam Oostzee (hierna: de Oostzee).
3.3.
De Oostzee is op 7 augustus 2024 aan [gedaagde] overgedragen door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). In artikel 3 van Pro de leveringsakte is overeengekomen dat de feitelijke levering reeds op 5 september 2022 heeft plaatsgevonden, en dat vanaf dat moment de baten aan [gedaagde] ten goede komen, de lasten voor rekening van [gedaagde] komen en [gedaagde] het risico van de Oostzee draagt.
3.4.
[bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1].
3.5.
[bedrijf 2], [bedrijf 1], [gedaagde] en [bedrijf 3] maken deel uit van het concern van [bedrijf 4] [naam 1] (hierna: [naam 1]) is via [bedrijf 4] middellijk bestuurder van deze vier vennootschappen.
3.6.
Martens heeft in 2021 en 2024 reinigingswerkzaamheden verricht aan de Oostzee.
3.7.
De werkzaamheden in 2021 zien op reiniging vanwege een olie
spilldoor de Oostzee.
3.8.
Martens heeft haar factuur voor de werkzaamheden in 2021 van 22 november 2023 ten bedrage van € 32.431,63 inclusief btw, gericht aan [bedrijf 2]. Deze factuur had Martens eerder, op 8 september 2021, per abuis gericht aan Decoil International Oil and Trading B.V.
3.9.
[bedrijf 1] heeft van haar verzekeraar de kosten voor de reinigingswerkzaamheden in 2021 vergoed gekregen, exclusief btw en met aftrek van het eigen risico van € 7.500,-.
3.10.
Bij verstekvonnis van 21 februari 2024 is [bedrijf 2] veroordeeld om aan Martens te betalen:
  • € 32.506,26, vermeerderd met wettelijke handelsrente over € 32.431,63 vanaf 15 december 2023; en
  • € 3.781,73 aan proceskosten.
[bedrijf 2] heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.
3.11.
De werkzaamheden in 2024 zien op het reinigen van de tanks aan boord van de Oostzee. Martens heeft als eerst - en uiteindelijk als enige - tank 10 gereinigd.
3.12.
Bij inspecties op het schip door [naam 2], namens Martens, ten behoeve van de werkzaamheden, was [naam 3] (hierna: [naam 3]) aanwezig als contactpersoon voor het schip. [naam 3] is formeel werkzaam voor [bedrijf 5].
3.13.
Martens heeft deze werkzaamheden uitgevoerd in opdracht van [naam 4] (hierna: [naam 4]), formeel werkzaam voor [bedrijf 6] Bij de e-mailcorrespondentie omtrent deze werkzaamheden zijn onder meer [naam 1] en [naam 3] in de cc meegenomen. [naam 4] heeft in deze correspondentie, op 7 oktober 2024, instemmend gereageerd op het voorstel van Martens om eerst tank 10 te reinigen tegen een uurtarief, om daarna een inschatting te kunnen maken van de kosten voor het reinigen van de overige tanks. In datzelfde bericht vraag [naam 4] aan [naam 3] om de werkzaamheden in de gaten te houden en hierover terug te koppelen aan alle betrokken personen. Op 8 oktober 2024 heeft [naam 3] daarop bevestigend gereageerd.
3.14.
Op 21 oktober 2024 heeft [naam 3] in de e-mailcorrespondentie bevestigd dat de reiniging van tank 10 was voltooid.
3.15.
Martens heeft haar factuur van 21 oktober 2024 voor de in 2024 uitgevoerde reinigingswerkzaamheden aan tank 10, ten bedrage van € 39.146,46 inclusief btw, gericht aan [bedrijf 3], met daarop als vervaldatum vermeld 20 november 2024.
3.16.
Martens heeft de factuur aan [bedrijf 3] geadresseerd op verzoek van [naam 3]. Na het toesturen van de factuur heeft [naam 3] aan Martens geantwoord de kosten te hoog te vinden. Op dat bericht heeft [naam 1] met een doorgestuurd bericht aan alleen [naam 4], die dat bericht van [naam 3] al cc had ontvangen, geschreven: “
NO WAY”.
3.17.
Martens heeft in onder meer voornoemde e-mailcorrespondentie te kennen gegeven de overige tanks van de Oostzee pas te willen reinigen nadat haar factuur is voldaan.
3.18.
De inhoud van tank 10, die daarin aanwezig was voorafgaand aan het reinigen, is geanalyseerd door ATM B.V. (hierna: ATM). ATM heeft daarbij geconcludeerd dat sprake is van afval, en niet van bruikbare brandstof. ATM heeft Martens daarvoor gefactureerd.
3.19.
[bedrijf 2] en [bedrijf 3] weigeren de aan hen gerichte facturen aan Martens te betalen.
3.20.
Martens heeft verschillende pogingen gedaan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] tot betaling te bewegen. Ook heeft zij verschillende pogingen gedaan om met [naam 1] in gesprek te komen.
3.21.
Op 25 november 2024 heeft een gesprek plaats gevonden tussen [naam 1], de heren [naam 5] en [naam 6] (beiden namens Martens), en [naam 7], de walkapitein van de Oostzee ten tijde van de olie
spillin 2021.
3.22.
Op 16 april 2025 hebben [naam 1] en namens Martens de heren [naam 8] en [naam 5] met elkaar gesproken.
3.23.
Op 17 juni 2025 heeft Martens conservatoir beslag gelegd op de Oostzee voor € 93.000,-, nadat de voorzieningenrechter daartoe verlof heeft verleend op 16 juni 2025. Op 18 juni 2025 is het beslag ingeschreven in het kadaster. Op 24 juni 2025 heeft Martens het beslag aan [gedaagde] betekend.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
Martens vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van:
I. € 32.431,63, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 15 december 2023 in geval van veroordeling op grond van nakoming, dan wel vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 juni 2025 (datum dagvaarding) in geval van veroordeling op grond van een schadevergoedingsplicht, en vermeerderd met de proceskosten van de procedure waarin op 21 februari 2024 verstekvonnis is gewezen, groot € 3.781,73;
II. € 39.146,46, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 20 november 2024 (de vervaldatum van de factuur) in geval van veroordeling op grond van nakoming, dan wel vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 juni 2025 (datum dagvaarding) in geval van veroordeling op grond van een schadevergoedingsplicht;
III. de proceskosten van deze procedure, inclusief de beslagkosten.
4.2.
Martens legt hieraan - kort gezegd - ten grondslag:
  • primair, dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Martens doordat haar schip is gereinigd terwijl de kosten daarvoor nooit aan Martens zijn vergoed;
  • subsidiair, dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar handelt doordat zij zich verschuilt achter verschillende groepsvennoten; en
  • meer subsidiair, dat [gedaagde] moet nakomen, omdat [naam 1] op 16 april 2025 namens [gedaagde] heeft toegezegd de facturen voor de in 2021 en 2024 verrichtte werkzaamheden te betalen.
4.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Martens in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Martens, met veroordeling van Martens in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
in reconventie4.4. [gedaagde] vordert - samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijke uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat Martens toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] en aansprakelijk is voor de door [gedaagde] geleden en te lijden schade;
II. Martens veroordeelt tot vergoeding van de door [gedaagde] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. voor recht verklaart, dat het namens Martens ten laste van [gedaagde] gelegde op een te boek gesteld schip, de Oostzee, onrechtmatig is en Martens beveelt dat beslag binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op te (laten) heffen;
IV. Martens veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.
4.5.
[gedaagde] legt hieraan - kort gezegd - ten grondslag dat Martens onterecht en onjuist werkzaamheden heeft uitgevoerd aan de Oostzee, en dat daarbij de brandstof die zich op het moment van reinigen nog in tank 10 bevond, verloren is gegaan, waardoor zij schade heeft geleden. Die schade heeft zij nog niet kunnen begroten, aldus [gedaagde].
4.6.
Martens voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [gedaagde] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.De beoordeling

in conventie
Werkzaamheden 2021: geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking
5.1.
Voor toewijzing van een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking is het nodig dat de aangesprokene is verrijkt en dat de ander daardoor is verarmd, zonder dat er voor die verrijking een redelijke grond aanwezig is (artikel 6:212 BW Pro).
5.2.
De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] is verrijkt door de in 2021 verrichte werkzaamheden. In 2021 was [gedaagde] namelijk nog niet de eigenaar van de Oostzee. Bij de verkoop van de Oostzee door [bedrijf 1] aan [gedaagde] in 2024 is overeengekomen dat die verkoop een feitelijk effect heeft dat teruggaat tot 5 september 2022. [gedaagde] heeft dus het schip gekocht in de staat waarin het zich bevond op 5 september 2022, met de kosten, baten en risico’s die aan het schip zijn verbonden vanaf dat moment. De in 2021 verrichte werkzaamheden vallen niet binnen dat bereik. Dat [bedrijf 1] als toenmalig eigenaar wellicht wel ongerechtvaardigd is verrijkt als gevolg van de werkzaamheden aan de Oostzee in 2021 door Martens, terwijl [bedrijf 1] middels verrekening verzekeringspenningen heeft ‘ontvangen’ voor deze werkzaamheden, maakt niet dat [gedaagde] als opvolgend eigenaar is verrijkt.
Werkzaamheden 2021: geen sprake van onrechtmatig handelen5.3. Martens stelt, naar de kern genomen, dat [gedaagde] onrechtmatig handelt door zich te verschuilen achter de ‘kerstboom’ van het Acdan-concern. Voor zover daarin een normschending in de zin van artikel 6:162 BW Pro is gelegen, zijn alle stellingen van Martens hieromtrent betwist door [gedaagde]. Martens heeft haar stellingen niet nader aangevuld of onderbouwd. Zodoende heeft zij haar stellingen onvoldoende gemotiveerd dan wel, gelet op de betwisting van [gedaagde], onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. De vordering van Martens kan daarom niet worden toegewezen op grond van onrechtmatig handelen.
5.4.
Ten overvloede overweegt de rechtbank daarbij als volgt.
5.5.
Martens stelt onder meer dat [gedaagde] ervan afwist dat Martens onbetaald is gebleven voor de in 2021 verrichte werkzaamheden, omdat [gedaagde] net als [bedrijf 2] en [bedrijf 1] wordt vertegenwoordigd door [naam 1]. Zodoende heeft [gedaagde] Martens bewust benadeeld en daardoor is sprake van onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens Martens (en van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde]), aldus Martens.
5.6.
De rechtbank volgt Martens hierin niet. De rechtspersoon [gedaagde] is namelijk geen (indirect) bestuurder van [bedrijf 2] en [bedrijf 1]. [gedaagde] kan daarom niet verantwoordelijk worden gehouden voor handelen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1].
5.7.
Dat laatste kan anders liggen voor [naam 1] in persoon, als indirect bestuurder van [bedrijf 2] en [bedrijf 1]. [naam 1] heeft in die hoedanigheid een zekere verantwoordelijkheid voor het handelen van die twee vennootschappen, en zo mogelijk meer specifiek ook voor het niet nakomen van betalingsverplichtingen door [bedrijf 2] en het gegeven dat [bedrijf 1], de toenmalig eigenaar van de Oostzee, sinds de verkoop van de Oostzee aan [gedaagde] niet meer met succes kan worden aangesproken omdat zij sinds de verkoop van het schip geen vermogen meer heeft en omdat zij - zoals [naam 1] ter zitting heeft bevestigd - in betalingsonmacht verkeerd.
5.8.
Stellingen van Martens die in lijn hiermee hetzelfde betogen voor [gedaagde] als mogelijk voor [naam 1] geldt, gaan echter niet op. De handelingen van [naam 1] kunnen in algemene zin namelijk niet één op één gelijk worden gesteld aan zijn handelen als indirect bestuurder van [gedaagde].
5.9.
Overigens, de stelling van Martens dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt door dit bewuste en benadelend handelen, gaat om dezelfde reden niet op, voor zover dat al zou kunnen leiden tot een vordering jegens [gedaagde] op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
Werkzaamheden 2021: bewijsopdracht met betrekking tot nakomingsverplichting5.10. Martens stelt dat [naam 1] in de gesprekken op 16 april 2025 en 25 november 2024 namens de Oostzee, althans uit hoofde van scheepseigenaar [gedaagde] heeft toegezegd de factuur voor de in 2021 verrichte werkzaamheden te zullen betalen. [gedaagde] moet die afspraak nakomen, aldus Martens. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Martens e-mailberichten en verklaringen van de heren Bac, Hendrickx en Wagenaar overgelegd.
5.11.
[gedaagde] betwist dat is toegezegd te betalen. De stukken die Martens hierover in het geding brengt, zijn eenzijdige verklaringen van medewerkers van Martens en een e-mailbericht namens Martens. Dat bevestigt alleen dat Martens stelt dat [naam 1] iets heeft toegezegd, maar niet dat [naam 1] datgene ook heeft toegezegd. Van de zijde van [gedaagde] dan wel van [naam 1] is geen enkele schriftelijke bevestiging overgelegd. [naam 1] heeft daarbij ter zitting verklaard dat alleen zou worden onderzocht of het mogelijk is te betalen. Uit dat onderzoek is gebleken dat de verzekeringspenningen die [bedrijf 1] destijds toekwamen, door de verzekeraar zijn verrekend met openstaande premies, waardoor sprake is van betalingsonmacht en Martens niet voor de in 2021 verrichte werkzaamheden kan worden betaald, aldus steeds [gedaagde].
5.12.
[gedaagde] betwist daarnaast dat [naam 1] tijdens die gesprekken handelde in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde]. Uit de door Martens in het geding gebrachte stukken blijkt ook nergens in welke hoedanigheid [naam 1] heeft gehandeld toen hij de door Martens gestelde toezeggingen zou hebben gedaan. Zodoende is er volgens [gedaagde] geen afspraak waarvan Martens in deze procedure nakoming kan vorderen.
5.13.
De rechtbank overweegt dat zij bij deze stand van zaken niet kan vaststellen dat [naam 1]
namens [gedaagde]heeft toegezegd de factuur voor de in 2021 verrichte werkzaamheden te zullen betalen. Martens heeft aangeboden hier bewijs voor te leveren. De rechtbank zal Martens daartoe in de gelegenheid stellen.
Werkzaamheden 2021: gevorderde proceskosten volgend uit het verstekvonnis, liggen voor afwijzing gereed
5.14.
Gelet op voorgaande is er geen grond voor toewijzing van de in deze procedure gevorderde betaling door [gedaagde] van de in het verstekvonnis uitgesproken veroordeling van [bedrijf 2] tot betaling van de proceskosten (zie onder 3.10). Onrechtmatig handelen door [gedaagde] op dit punt is niet komen vast te staan. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen onder “
Werkzaamheden 2021: geen sprake van onrechtmatig handelen”.Ook wanneer de gevorderde nakoming op een later moment (wel) voor toewijzing vatbaar blijkt, verandert dit niet. De stelling van Martens is namelijk alleen dat is toegezegd dat de factuur zou worden betaald. De voornoemde proceskosten vallen daar niet onder. Dit deel van vordering I van Martens ligt daarom voor afwijzing gereed.
Werkzaamheden 2024: [gedaagde] is ongerechtvaardigd verrijking
5.15.
Martens stelt dat [gedaagde], als eigenaar van de Oostzee, ongerechtvaardigd is verrijkt door de door Martens in 2024 uitgevoerde reinigingswerkzaamheden van tank 10 van de Oostzee en dat zij daardoor is verarmd..
5.16.
[gedaagde] voert het verweer dat Martens de werkzaamheden zonder opdracht van een daartoe vertegenwoordigingsbevoegd persoon heeft uitgevoerd en dat Martens die opdracht onjuist heeft uitgevoerd. [gedaagde] voert aan dat Martens tank 10 juist niet had moeten schoonmaken, dat wel heeft gedaan en de resterende brandstof in tank 10 nu verloren is gegaan. [gedaagde] is daardoor niet verrijkt, maar juist geschaad, aldus [gedaagde].
5.17.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] is verrijkt door de verrichte reinigingswerkzaamheden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Martens onweersproken gesteld dat de bemanning van de Oostzee zonder succes had gepoogd om de tanks te reinigen, als gevolg van een dikke laag waswater die daarin te zien was bij de eerste inspectie. Na overleg met en eerst na akkoord van [naam 4] is Martens overgegaan tot het reinigen van tank 10, om daarna verder te overleggen over het reinigen van de overige tanks van de Oostzee. Zodoende is duidelijk dat het voor de Oostzee nodig was dat haar tanks, waaronder tank 10, moesten worden gereinigd.
5.18.
Door [naam 3] is bevestigd dat de reiniging van tank 10 is voltooid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 1] ook erkend dat na het schoonmaken van tank 10 de tank zo schoon was dat van de bodem van die tank kon worden gegeten. Kortom, [gedaagde] is als eigenaar van de Oostzee verrijkt in die zin dat tank 10 van de Oostzee goed is gereinigd.
5.19.
Het bedrag waarvoor [gedaagde] daarmee is verrijkt bedraagt € 39.146,46, zijnde de kosten voor de werkzaamheden en de btw daarover. Immers, als [gedaagde] (formeel) wel zelf opdracht had gegeven tot het reinigen van tank 10, dan had zij daarvoor zelf moeten betalen, inclusief btw.
5.20.
Martens is daardoor verarmd, omdat zij die reinigingswerkzaamheden heeft verricht, met alle kosten van dien. De door Martens reeds afgedragen btw valt daaronder. Martens is daarvoor echter niet betaald.
5.21.
Het bedrag waarvoor Martens is verarmd, bedraagt zodoende eveneens € 39.146,46. [gedaagde] betwist dat de schade (verarming) van Martens gelijk is aan het factuurbedrag, inclusief btw, maar motiveert dat verder niet. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
5.22.
Ten slotte blijft het onduidelijk wie uiteindelijk de opdracht heeft gegeven tot het schoonmaken van de tanks. Uit de door Martens overgelegde e-mails blijkt dat het contact (formeel) liep via twee Indiase vennootschappen. Wat dat betreft kan de rechtbank [gedaagde] volgen in haar standpunt dat er geen opdracht is gegeven tot het schoonmaken van tank 10 door een vertegenwoordigingsbevoegd persoon. Zodoende is er geen rechtsgrond voor de in 2024 verrichte werkzaamheden, althans is die er niet tussen Martens en [gedaagde]. Dat betekent dat voor de verrijking van [gedaagde], waardoor Martens is verarmd, geen redelijke grond aanwezig is en derhalve aan alle vereisten voor het kunnen toewijzen van de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking is voldaan.
Werkzaamheden 2024: € 39.146,46 is geen onredelijke verrijkingsvergoeding
5.23.
[gedaagde] voert het verweer dat € 39.146,46 geen redelijke verrijkingsvergoeding is. Daartoe stelt [gedaagde] dat haar schip is gereinigd zonder haar instemming. Daarbij heeft zij de brandstof uit tank 10 verloren, doordat Martens tegen instructies in die tank heeft gereinigd, terwijl juist in die tank “
all the residue” van de overige tanks opgeslagen had moeten worden.
5.24.
Martens voert hiertegen aan dat zij tank 10 pas heeft schoongemaakt, nadat zij dat had voorgesteld en [naam 4] daarop akkoord had gegeven. [naam 1] stond cc in die e-mailwisseling. Daarbij is er geen brandstof verloren gegaan. Het residu was puur afval, zoals blijkt uit het rapport van ATM. Alles in zo’n residu dat nog enigszins olie is, kan Martens nog verwerken tot bruikbare brandstof. Als dat hier het geval was geweest, had zij dat zeker ook gedaan, aldus Martens.
5.25.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde] alleen wijst op de oorspronkelijk opdracht en onterecht eraan voorbij gaat dat [naam 4] akkoord heeft gegeven op een gewijzigd voorstel. Als [gedaagde] dit niet had gewild, had het op de weg van [naam 1], als bestuurder van [gedaagde], gelegen om op dat moment in te grijpen. Hij stond immers in cc als betrokken persoon. Daarnaast blijkt uit het rapport van ATM dat er in het residu geen bruikbare brandstof zat. Er is dus ook geen bruikbare brandstof verloren gegaan. De rechtbank ziet ook geen andere redenen waarom de verrijkingsvergoeding van € 39.146,46 niet redelijk zou zijn.
Werkzaamheden 2024: geen sprake van eigen schuld van Martens5.26. [gedaagde] voert voorts het verweer dat sprake is van eigen schuld van Martens in de zin van artikel 6:101 BW Pro, en dat zij daarom minder tot niets aan Martens hoeft te vergoeden. [gedaagde] stelt daartoe, naar de kern genomen, dat Martens er eigen schuld aan heeft dat zij onterecht erop heeft vertrouwd dat dat de personen met wie zij formeel contact had vertegenwoordigingsbevoegd waren, terwijl die dat niet waren. Dit had Martens van tevoren zelf goed moeten controleren in het handelsregister. Omdat Martens dat laatste heeft nagelaten, stelt [gedaagde] dat het redelijk is dat zij niet alsnog hoeft te betalen op grond van, in dit geval, ongerechtvaardigde verrijking.
5.27.
Martens heeft hiertegen aangevoerd dat het in de maritieme wereld gebruikelijk is dat er contact is met (rechts)personen van verschillende nationaliteiten en dat er op goed vertrouwen wordt gewerkt. Wie de werkelijke opdrachtgever is, is in het begin vaak nog niet duidelijk. Ook is het gebruikelijk dat er binnen een concern veel wordt geschoven tussen verschillende vennootschappen. Martens geeft daarbij aan dat dit de eerste keer is dat het is misgegaan, en nog wel bij een Nederlandse wederpartij.
5.28.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van eigen schuld van Martens. Martens had voorzichtiger te werk kunnen gaan, bijvoorbeeld door een opdrachtbevestiging te vragen van een bevoegd persoon. Dat neemt echter niet weg dat het in de maritieme wereld - zoals door Martens onbetwist is gesteld - gebruikelijk is dat met verschillende nationaliteiten en entiteiten wordt gehandeld, dat veel gehandeld wordt op basis van vertrouwen én dat twee indirecte bestuurders van [gedaagde], waaronder [naam 1], bij de gehele e-mailcorrespondentie over de reinigingswerkzaamheden in de cc hebben gestaan. Uit het e-mailbericht van [naam 1] aan [naam 4] blijkt ook dat [naam 1] hierbij op de achtergrond betrokken was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hier geen sprake is van een dusdanige omstandigheid die aan Martens kan worden toegerekend als gevolg waarvan de vergoedingsplicht van [gedaagde] verminderd zou dienen te worden.
Werkzaamheden 2024: [gedaagde] is wettelijke rente verschuldigd5.29. Op grond van artikel 6:119 en Pro 6:83 sub c BW is [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd over € 39.146,46 vanaf in ieder geval de datum van de dagvaarding. Op dat moment kan het handelen van [naam 1] namelijk niet meer anders worden beoordeeld dan dat hij, in dit geval in ieder geval ook namens [gedaagde] als de eigenaar van de Oostzee, niet van plan was om te gaan betalen voor de aan de Oostzee verrichte werkzaamheden. [gedaagde] heeft ook geen verweer gevoerd tegen toewijzing van de wettelijke rente bij een veroordeling op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
Werkzaamheden 2024: vordering, met wettelijke rente, ligt voor toewijzing gereed
5.30.
Vordering II van Martens, in die zin dat [gedaagde] aan Martens moet betalen € 39.146,46, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 juni 2025, ligt voor toewijzing gereed.
in reconventie
Aan [gedaagde] komt geen schadevergoeding toe5.31. [gedaagde] stelt, kort gezegd, dat zij brandstof uit tank 10 is verloren door de reinigingswerkzaamheden van Martens in 2024. Martens betwist dat brandstof verloren is gegaan. Dat heeft Martens onderbouwd met het rapport van ATM (zie onder 3.18). [gedaagde] heeft haar stellingen hierover daarna niet nader aangevuld of onderbouwd. De rechtbank oordeelt daarom dat [gedaagde] haar stellingen, gelet op de gemotiveerde betwisting van Martens, onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. De vorderingen I en II van [gedaagde] liggen dan ook voor afwijzing gereed.
Het door Martens gelegde beslag is niet onrechtmatig; Martens wordt niet bevolen het beslag op te heffen
5.32.
Gelet op het feit dat vordering II in conventie voor toewijzing gereed ligt, is het door Martens gelegde conservatoire beslag niet onrechtmatig. Er is daardoor ook geen grond Martens te bevelen het beslag op te heffen. De rechtbank zal vordering III van [gedaagde] daarom afwijzen.
in conventie en reconventie
(verdere) beslissingen worden aangehouden
5.33.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere (verdere) beslissing aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
draagt Martens op haar stelling dat [naam 1] namens [gedaagde] heeft toegezegd de factuur voor de in 2021 verrichte werkzaamheden te zullen betalen te bewijzen;
6.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 mei 2026 voor uitlating door Martens of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;
6.3.
bepaalt dat Martens, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen;
6.4.
bepaalt dat Martens, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met november 2026 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
6.5.
bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. D.L. Spierings in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125;
6.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;
in conventie en reconventie
6.7.
houdt iedere (verdere) beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op
8 april 2026.
3718/2459