4.3.1.Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft in de tenlastegelegde periode de van het misbruik van [voornaam slachtoffer 1] gemaakte foto’s en een video, waarop zij naakt te zien is en seksuele handelingen verricht, in zijn bezit gehad. Ook van het zusje van [voornaam slachtoffer 1] , [voornaam slachtoffer 2] , heeft de verdachte een kinderpornografische afbeelding in bezit gehad. Hoewel het aantal unieke afbeeldingen relatief beperkt is geweest, heeft de verdachte daar zelf enorme aantallen variaties op gemaakt door op die afbeeldingen van zowel [voornaam slachtoffer 1] als [voornaam slachtoffer 2] teksten aan te brengen die seksueel misbruik van zulke jonge kinderen aanduiden.
Het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als een grote aantasting van het vertrouwen dat zij in de verdachte als hun ‘opa’ in hem hadden. De wetenschap dat hij over dergelijke afbeeldingen van hen kon beschikken en die te pas en te onpas zou kunnen misbruiken is voor [voornaam slachtoffer 1] , en waarschijnlijk ook [voornaam slachtoffer 2] , verschrikkelijk geweest.
In haar verklaring geeft [voornaam slachtoffer 1] aan dat zij is beschadigd, niet meer durft te slapen omdat zij nachtmerries heeft, niet meer eet en bang is om over straat te gaan. In de indringende verklaring van de vader van [voornaam slachtoffer 1] geeft hij aan dat [voornaam slachtoffer 1] van een vrolijk meisje is veranderd naar een meisje dat veel huilt, zich onveilig voelt en zichzelf bekrast. Ook bij [voornaam slachtoffer 2] zijn de gevolgen merkbaar, maar het is vanwege haar verstandelijke beperking moeilijk om haar te doorgronden. Men zoekt nog naar een manier om haar te helpen.
De verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer bij de gevolgen voor zijn slachtoffers stilgestaan en enkel zijn eigen bevrediging vooropgesteld. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij het vertrouwen dat jonge kinderen in hem hadden en hadden moeten kunnen hebben – zeker voor iemand die zich als een opa opwerpt – op de beschreven wijze heeft geschaad.
4.3.2.Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van de verdachte van 27 november 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad is dus geen reden voor strafverzwarende omstandigheden.
Rapporten van deskundige en de reclassering
In het rapport van [persoon A] (GZ-psycholoog) van 2 oktober 2025 staat over de verdachte het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een ‘andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis’. Op basis van de beschikbare informatie is een pedofiele stoornis niet vast te stellen. Er zijn aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van ontremming en naïviteit als het om seksualiteit gaat. Dit vormt geen volledige verklaring van de ten laste gelegde feiten. De verdachte had kunnen c.q. moeten weten dat hij met het (ten minste) betasten en het (in seksueel expliciete context) fotograferen/filmen een duidelijke grens overschreed. In enige mate kan wel een doorwerking vanuit de ‘andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis’ worden uitgegaan, maar slechts in beperkte mate is dit van invloed op de mate van toerekenen geweest. Geadviseerd wordt om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Op korte termijn is sprake van een laag recidiverisico omdat de verdachte weinig toegang tot minderjarigen heeft, nu contact met de slachtoffers is verbroken. Aanwijzingen dat de verdachte via internet contact heeft met minderjarigen zijn er niet. Verder is hij niet eerder van een zedendelict beschuldigd/verdacht geweest.
Op de meer lange termijn kan het beperkte inzicht en probleembesef van verdachte wel een rol spelen. De verdachte heeft nauwelijks inzicht in het verwijtbare van zijn handelen en welke gedragingen grensoverschrijdend (kunnen) zijn. Hij bagatelliseert zijn handelen en neemt daarvoor nauwelijks verantwoordelijkheid. Hij zou baat hebben bij externe sturing, echter zijn netwerk is zeer beperkt en is dus nauwelijks een beschermende factor.
De verdachte heeft onvoldoende zicht op c.q. besef van wat in seksueel opzicht wel en niet toelaatbaar is. Hij dient meer verantwoordelijkheid voor zijn handelen te ervaren om ook op de meer lange termijn niet in seksueel grensoverschrijdend gedrag terug te vallen. Gezien het lage recidiverisico wordt behandeling (bij een forensische polikliniek) niet geadviseerd. De verdachte zal baat hebben bij begeleiding en toezicht vanuit reclassering. Ook het vergroten van zijn sociale netwerk en het vinden van geschikte vrijetijdsbesteding vormen daarbij aandachtspunten.
In het rapport van Reclassering Nederland van 17 december 2025 staat over de verdachte het volgende.
Mogelijk zijn er delictgerelateerde risicofactoren aanwezig op het gebied van seksualiteit, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding. De verdachte lijkt niet in te zien dat zijn gedragingen grensoverschrijdend zijn geweest en dat hij beter had moeten weten als volwassen man. De schuld en de verantwoordelijkheid legt hij vooral buiten zichzelf. Het is zorgelijk dat hij onvoldoende probleembesef en zelfinzicht heeft. Het recidiverisico wordt als beneden gemiddeld ingeschat.
De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:
- meldplicht bij reclassering;
- contactverbod met [slachtoffer 2] . en [slachtoffer 1] ;
- locatieverbod zonder elektronische controle;
- vermijden contact met minderjarigen;
- vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik.
Toezicht op dit laatste beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten en externe harde schijven. De verdachte werkt mee aan deze controles bij onaangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten, waaronder verstrekken van wachtwoorden, codes, vingerafdrukken die nodig zijn voor toegang. controles daarop worden uitgevoerd door de reclassering, eventueel met ondersteuning op technisch en digitaal gebied van een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar. Daarbij ligt de frequentie op max 6 keer bij een proeftijd van 2 jaar. De reclassering acht de verdachte detentiegeschikt, maar verwacht dat een gevangenisstraf voor langere duur negatieve consequenties zal hebben met betrekking tot zijn woning en oplopende schulden.
Conclusie van de rechtbank
De conclusie van de psycholoog dat de verdachte leidt aan een ‘andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis’, neemt de rechtbank over. De rechtbank volgt ook de conclusie van de psycholoog dat de feiten de verdachte door zijn stoornis in verminderde mate moeten worden toegerekend.
4.3.3.Oplegging straf en maatregel
Gevangenisstraf
Gelet op de strafbare feiten en de bezwarende context waarbinnen deze zijn begaan geldt voor de rechtbank het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De rechtbank houdt anderzijds bij het opleggen van de hoogte van de straf ook rekening mee dat de feiten aan de verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
In de leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte door zijn detentie geen inkomsten meer heeft om zijn woonlasten te voldoen, ziet de rechtbank geen straf verminderende omstandigheden. De bewezenverklaarde feiten zijn immers nog recent gepleegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden passend, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Van deze gevangenisstraf worden 2 maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 2 jaren. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn:
de verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland, op het adres [adres 2] , [postcode 2] [plaats 1] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
de verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , beiden geboren op [geboortedatum 2] 201, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
de verdachte bevindt zich niet in of rondom de straat of woning van de slachtoffers, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
de verdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contact onvermijdelijk zijn, zorgt betrokkene dat een ander volwassen persoon hierbij aanwezig is;
de verdachte vermijdt gedurende de proeftijd:
a. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;
b. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;
c. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);
d. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft. De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) zes keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaren. Deze maatregel houdt in:
1. een gebiedsverbod voor:
- het woonadres van de slachtoffers: [adres 3] , [postcode 3] [woonplaats 2] ;
- de school van [slachtoffer 2] : [naam school 1] , [adres 4] ,
- de school van [slachtoffer 1] : [naam school 2] , [adres 5] ,
2. een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , beiden geboren op [geboortedatum 2] 2011.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken, met een totale duur van maximaal zes maanden.
De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.