Op 13 januari 2026 heeft de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, een vonnis uitgesproken in de zaak tegen een verdachte, geboren in 1947 en ten tijde van het onderzoek preventief gedetineerd. Na de uitspraak bleek dat het vonnis op twee punten kennelijke misslagen bevatte die eenvoudig hersteld konden worden. De rechtbank heeft besloten deze misslagen te herstellen in een herstelvonnis op 14 januari 2026.
De eerste misslag betrof de benadeelde partij, die niet-ontvankelijk werd verklaard in de vordering voor zover deze het bedrag van € 5.000,- overschrijdt. De tweede misslag was dat in het dictum van het vonnis niet was opgenomen dat de verdachte was vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.
In het herstelvonnis heeft de rechtbank de misslagen gecorrigeerd door de relevante zinnen toe te voegen aan het dictum en de overwegingen van het oorspronkelijke vonnis. De rechtbank heeft bepaald dat de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Het herstelvonnis is ondertekend door de rechters en de griffier.