Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4163

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
11950157 CV EXPL 25-23670
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 477a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot zekerheidstelling voor proceskosten toegewezen in civiele procedure

In deze civiele procedure tussen eiser, handelend onder een bedrijfsnaam, en Financial Advising & Services B.V. (FAS) heeft de kantonrechter een incident behandeld waarin FAS verzocht om zekerheidstelling voor proceskosten door eiser. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 477a lid 2 Rv, dat bescherming biedt aan derden-beslagene tegen onverhaalbare proceskosten.

Eiser had executoriaal derdenbeslag gelegd onder FAS, die daarop een verklaring aflegde die door eiser werd betwist. FAS vorderde dat eiser zekerheid zou stellen voor de proceskosten, wat eiser niet betwistte maar zich op het oordeel van de kantonrechter beriep. De kantonrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat eiser binnen twee weken een bankgarantie moet stellen ter hoogte van €1.044, gebaseerd op forfaitaire tarieven voor salaris gemachtigde en nakosten.

Daarnaast wordt eiser veroordeeld in de proceskosten van het incident, begroot op €360 aan salaris gemachtigde. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting op 14 april 2026 voor het overleggen van bewijs van zekerheidstelling. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eiser moet binnen twee weken zekerheid stellen voor proceskosten door middel van een bankgarantie van €1.044, onder straffe van niet-ontvankelijkheid, en wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11950157 CV EXPL 25-23670
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis in incident van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],die mede handelt onder de naam [naam bedrijf],
woonplaats: Weesp,
eiser in de hoofzaak,
verweerder in het incident,
gemachtigde: Te-Recht Gerechtsdeurwaarders & Incasso B.V.,
tegen
Financial Advising & Services B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
gemachtigde: mr. C.P. de Putter.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘FAS’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 21 oktober 2025, met bijlagen;
  • de incidentele conclusie tot zekerheidstelling op grond van artikel 477a, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
  • het antwoord in het incident, met bijlagen.

2.De beoordeling

In het incident
2.1.
De kantonrechter wijst het verzoek van FAS om te bepalen dat [eiser], op straffe van niet-ontvankelijkheid, zekerheid moet stellen voor de proceskosten toe. FAS heeft hierom gevraagd en [eiser] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. Hierna wordt deze beslissing toegelicht.
2.2.
Door [eiser] is executoriaal derdenbeslag gelegd onder FAS. FAS heeft een verklaring afgelegd. Deze verklaring wordt door [eiser] betwist. In de hoofdzaak vordert [eiser] dat FAS wordt veroordeeld om aan [eiser] te betalen of af te geven hetgeen volgens de vaststelling van de rechter aan [eiser] toe komt, te vermeerderen met rente en FAS in de proceskosten te veroordelen.
2.3.
FAS heeft haar vordering, dat [eiser] eerst zekerheid voor de proceskosten dient te stellen, gebaseerd op artikel 477a lid 2 Rv. In artikel 477a lid 2 laatste volzin Rv is bepaald dat de rechter op verlangen van de derde-beslagene kan bepalen dat de executant, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zekerheid moet stellen voor de proceskosten, waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld. De ratio van deze bepaling is dat ten behoeve van een derde, die veelal geheel buiten zijn wil in een rechtsbeding wordt betrokken, voor de door hem te maken proceskosten zekerheid wordt gesteld. Op die wijze blijft de derde niet met onverhaalbare proceskosten zitten. [eiser] is daarom in beginsel gehouden zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij veroordeeld zou kunnen worden.
2.4.
Omdat [eiser] tegen het verzoek geen bezwaren heeft geuit en zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter, zal de kantonrechter bepalen dat [eiser] zekerheid moet stellen.
2.5.
FAS heeft geen voorstel gedaan voor de vorm van zekerheidsstelling en de hoogte van de proceskosten. De kantonrechter zal bepalen dat [eiser] zekerheid dient te stellen door middel van een bankgarantie van een Nederlandse bank overeenkomstig het NVB Model van de Nederlandse Vereniging van Banken.
2.6.
Bij de vaststelling van de proceskosten zal voor het salaris van de gemachtigde worden uitgegaan van het forfaitaire tarief € 360,- per punt, omdat de vordering in de hoofdzaak een vordering van onbepaalde waarde betreft. De kantonrechter ziet aanleiding om - op voorhand - voor het procesverloop uit te gaan van 2,5 punten aan salaris voor de gemachtigde. Voor de nakosten geldt een tarief van € 144,-. [eiser] zal daarom voor een bedrag van € 1.044,- een bankgarantie moeten stellen ((2,5 x € 360,-) + € 144,-)
2.7.
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van het incident, die aan de zijde van FAS worden begroot op € 360,- aan salaris voor de gemachtigde.
In de hoofdzaak
2.8.
De zaak wordt verwezen naar de hierna te noemen rolzitting voor akte aan de zijde van [eiser] om een bewijs van de zekerheidstelling in het geding te brengen.
2.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in het incident
3.1.
bepaalt dat [eiser] – op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak – binnen twee weken na de uitspraak van dit vonnis zekerheid dient te stellen voor de proceskosten waartoe hij zou kunnen worden veroordeeld en bepaalt het bedrag van zekerheid op € 1.044,-;
3.2.
bepaalt dat [eiser] zekerheid dient te stellen in de vorm van een bankgarantie van een Nederlandse bank overeenkomstig het NVB Model van de Nederlandse Vereniging van Banken;
3.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van FAS tot op heden begroot op € 360,- aan salaris voor de gemachtigde;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
3.5.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
dinsdag 14 april 2026 om 11.30 uurvoor akte aan de zijde van [eiser] om een bewijs van de zekerheidstelling in het geding te brengen;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
754