Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4260

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/10/710044 / JE RK 25-2333
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Leger des Heils jeugdbescherming en reclassering (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen. De kinderen verblijven deels bij hun ouders en deels in pleeggezinnen. De ouders zijn niet voldoende in staat gebleken om de opvoeding te waarborgen, mede door taalbarrières en emotioneel belastend gedrag.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden de standpunten van de GI, ouders en pleegouders besproken. De GI benadrukte de noodzaak van verlenging vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen, het ontbreken van zicht op de thuissituatie en opvoedvaardigheden van de ouders, en de noodzaak van een perspectiefonderzoek. De ouders erkenden zorgen maar verzetten zich tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, waarbij zij pleitten voor zo spoedig mogelijke thuisplaatsing.

De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De kinderen hebben hechtingsproblematiek en hebben nog hulpverlening nodig. De huidige situatie in pleeggezinnen biedt stabiliteit en is in het belang van de kinderen. De kinderrechter verlengde daarom beide maatregelen tot 28 november 2026 en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen tot 28 november 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710044 / JE RK 25-2333
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils jeugdbescherming en reclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1]
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2022 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] ,
[minderjarige 4],
geboren op [geboortedatum 4] 2023 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 4]
[minderjarige 5],
geboren op [geboortedatum 5] 2023 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 5] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G. Kartal, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Apistola uit Zwijndrecht.
[pleegmoeder] en [pleegvader],
hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[persoon A] en [persoon B],
pleegzorgmedewerkers van Stichting Timon.
1.
Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 26 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI van 4 maart 2026, bij de rechtbank binnengekomen op 10 maart 2026;
- aanvulling van Timon op de briefrapportage van de GI van 18 maart 2026.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een drietal vertegenwoordigers van de GI, [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] ;
  • de pleegouders;
  • [persoon A] en [persoon B] van Stichting Timon.
1.3. Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar
wel de Russische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van dhr. K. Barak, tolk in de taal Russisch. De kinderrechter heeft vastgesteld dat hij is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëindigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] woont bij haar ouders.
2.3.
[voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] verblijven in pleeggezinnen.
2.4.
Bij beschikking van 26 november 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] verlengd tot 28 maart 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] verlengd tot 28 maart 2026. De beslissing op het overige verzochte is aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] te verlengen in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er resteert nog een beslissing over de periode tot 28 november 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en licht dit als volgt toe. De GI erkent dat de hulpverlening vertraging heeft opgelopen door meerdere wisselingen van jeugdbeschermers. Inmiddels zijn nieuwe vaste jeugdbeschermers aangesteld vanuit het team uit Brabant. De GI hoopt hiermee het vertrouwen van de ouders te herstellen. In de afgelopen weken heeft de GI meerdere gesprekken gevoerd met de ouders om de afspraken over de omgang met de kinderen te verduidelijken. De contactmomenten verlopen namelijk nog niet goed, omdat de ouders emotioneel belastend gedrag vertonen, vaak te laat komen en de vader een gps-tracker in het speelgoed van een van de kinderen heeft geplaatst. De nieuwe omgangsafspraken zijn vastgelegd in de briefrapportage. In de afgelopen periode is vooral ingezet op contactherstel tussen de ouders en de kinderen, maar volgens de GI is meer nodig. Om die reden is een moreel beraad ingepland, dat na de zitting zal plaatsvinden. Tevens worden de kinderen aangemeld voor het NIKA-traject en is het van belang dat culturele hulpverlening wordt ingezet. De ouders komen uit Oekraïne en spreken de Nederlandse taal niet, waardoor sprake is van een taalbarrière tussen de ouders en [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] . Dit is belastend voor [voornaam minderjarige 1] omdat zij beide talen spreekt en vaak als tolk moet fungeren tussen de ouders en de kinderen. Het is van belang dat de ouders de Nederlandse taal leren, zodat zij beter kunnen aansluiten bij de behoeften van de kinderen. Daarnaast is het van belang dat de GI meer zicht krijgt op de thuissituatie bij de ouders en hun opvoedvaardigheden. Zo bestaat er op dit moment geen zicht op hoe het met [voornaam minderjarige 1] gaat bij de ouders thuis. Ook is er onduidelijkheid over de huisvesting en de financiële situatie van het gezin. Verder is het van belang dat er duidelijkheid komt voor [voornaam minderjarige 2] over wie haar vader is. De moeder weigert mee te werken aan een DNA-onderzoek, waardoor dit niet kan worden vastgesteld, hetgeen onzekerheid met zich brengt voor [voornaam minderjarige 2] . Voorts weigeren de ouders medische toestemming te verlenen voor een operatie aan de keelamandelen van [voornaam minderjarige 3] . Daarnaast acht de GI het zorgelijk dat de ouders een sterke voorkeur lijken te hebben voor een thuisplaatsing van [voornaam minderjarige 3] en hoopt de GI dat de ouders al hun kinderen gelijk behandelen. De GI wil in de komende periode een perspectiefonderzoek laten verrichten, zodat het toekomstperspectief van de kinderen kan worden vastgesteld. Na afronding daarvan kan de GI een plan van aanpak opstellen en voorwaarden formuleren waaraan de ouders moeten voldoen voordat de kinderen thuis zouden kunnen worden geplaatst. Vooralsnog is een thuisplaatsing niet aan de orde.
4.2.
Door en namens de moeder wordt het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij erkent dat er zorgen zijn en staat open voor hulpverlening. De moeder kan zich echter niet verenigen met het verzoek tot verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing. Volgens haar heeft de GI dit onvoldoende onderbouwd. De moeder stelt dat de GI de machtiging tot uithuisplaatsing gebruikt om tijd te winnen en inzicht te krijgen in de opvoedsituatie van de ouders, terwijl dit niet het doel is van de maatregel en ook kan worden bereikt binnen een ondertoezichtstelling. Het uitgangspunt dient volgens de moeder te zijn dat de kinderen zo snel mogelijk thuis worden geplaatst. De ouders mogen niet de dupe worden van de wisselingen van jeugdbeschermers binnen de GI. De kinderen zijn inmiddels bijna anderhalf jaar uit huis geplaatst en de afstand tussen de ouders en de kinderen wordt steeds groter. De Nederlandse taal is moeilijk aan te leren voor de ouders en zij willen graag in hun eigen taal met de kinderen communiceren. De moeder wil dat de kinderen naar een Oekraïense school gaan en daar ook de Russische taal leren. Dit is namelijk verplicht is op grond van de Oekraïense wetgeving. [voornaam minderjarige 1] woont inmiddels weer bij de ouders en over haar bestaan geen zorgen meer. De moeder begrijpt niet waarom de andere kinderen niet ook thuis kunnen worden geplaatst. Zij wenst met name dat [voornaam minderjarige 3] weer thuis komt wonen. Indien wordt beslist dat thuisplaatsing niet mogelijk is, verzoekt de moeder de machtigingen tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van maximaal drie maanden. Eventueel zou het overige deel kunnen worden aangehouden.
4.3.
Door en namens de vader wordt het volgende naar voren gebracht. In de afgelopen periode is de hulpverlening niet van de grond gekomen door het handelen van de GI en de vele personeelswisselingen. De ouders zijn hiervan de dupe geworden. [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] zijn nog jong en verblijven inmiddels al meer dan anderhalf jaar niet meer thuis. Dit is een inbreuk op het gezinsleven. Er moet kritisch getoetst worden of er nog een rechtvaardiging bestaat voor deze inbreuk. Tot op heden zijn er geen duidelijke voorwaarden opgesteld door de GI voor een thuisplaatsing, terwijl de vader hier al meerdere keren om heeft gevraagd. Er zijn slechts afspraken gemaakt over de omgang. De ouders moeten ongeveer vijfenveertig minuten reizen naar de omgangslocatie en komen daardoor soms te laat. Dit neemt volgens de vader niet weg dat zij een eerlijke kans moeten krijgen en goed contact met de kinderen moeten kunnen onderhouden. De GI heeft voorgesteld een perspectiefonderzoek te verrichten, maar dit zal dit opnieuw tot vertraging leiden. De vader vraagt zich af waarom dit onderzoek niet eerder is uitgevoerd. [voornaam minderjarige 1] woont inmiddels weer bij de ouders en dat verloopt goed. De vader wil dat ook [voornaam minderjarige 3] weer thuis komt wonen.
4.4.
De pleegouders stemmen in met het verzoek van de GI. [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] ontwikkelen zich goed binnen het pleeggezin. Zij gaan naar school en zijn aangemeld voor een hulpverleningstraject om hun trauma’s te verwerken. De pleegouders maken zich zorgen over de contactmomenten en een eventueel terugplaatsing van de kinderen bij de ouders. Zij sluiten zich aan bij de zorgen die Timon heeft geuit, in aanvulling op de briefrapportage van de GI.

5.De informatie

5.1.
Namens Stichting Timon wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De omgang met de kinderen is uitgebreid naar anderhalf uur, ondanks de zorgen die er zijn. Namens Stichting Timon wordt wel het communicatieprobleem onderstreept. Er is geïnvesteerd om de kinderen Russisch te leren, maar de kinderen blokkeerden en wilden hier niet verder in gaan. Het is daarom van belang dat de ouders doorpakken met hun lessen Nederlands. Daarnaast worden volgens Stichting Timon de zorgen die zij uit niet altijd serieus genomen door de ouders. Dit maakt dat er dan moeilijk progressie behaald kan worden.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk.
6.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige 1] [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Toen de kinderen nog bij de ouders woonden, is sprake geweest van ernstige verwaarlozing, waardoor bij alle kinderen hechtingsproblematiek is ontstaan. Alle kinderen hebben hiervoor nog hulpverlening nodig. Er is op dit moment geen zicht op de opvoedsituatie bij de ouders, omdat de hulpverlening vanuit Coachpoint in de thuissituatie tijdelijk is stopgezet. Hierdoor is er geen zicht op [voornaam minderjarige 1] het is zelfs niet bekend hoe het met haar op school gaat. Door de verschillende wisselingen van jeugdbeschermers heeft gedurende langere tijd onduidelijkheid bestaan over het verloop van de ondertoezichtstelling. Het is dan ook positief dat ter zitting nieuwe medewerkers van de GI aanwezig waren die een plan van aanpak hebben opgesteld voor elk van de kinderen, welke plannen weliswaar nog nader moeten worden uitgewerkt, maar waarin wel een begin van de aanpak en de doelstellingen wordt gezien. Dit geeft de kinderrechter vertrouwen dat er daadwerkelijk stappen zullen worden gezet, in het belang van de kinderen. Gebleken is dat de ouders zich niet goed aan de omgangsafspraken houden door niet op tijd te komen en emotioneel belastend gedrag te vertonen. Hoewel het begrijpelijk is dat de ouders de huidige situatie als moeilijk ervaren, is het niet in het belang van de kinderen dat zij worden belast met de emoties van de ouders. De omgangsmomenten kunnen alleen worden uitgebreid als dit in het belang van de kinderen is. Het is aan de GI om te bepalen op welke termijn en in welke vorm dit kan plaatsvinden. Naast de onduidelijkheid over de opvoedsituatie bij de ouders, de zorgen over de wijze waarop de omgangsmomenten met de uit huis geplaatste kinderen verlopen, bestaan er meer zorgen. Zo is het voor [voornaam minderjarige 2] belastend dat zij nu, naar aanleiding van een opmerking van de moeder, in onzekerheid verkeert over wie haar biologische vader is. Het is in haar belang dat niet alleen de vader maar ook de moeder instemt met een DNA-onderzoek om aan deze onzekerheid een einde te maken. Voornoemde problemen en onduidelijkheid kunnen niet worden weggenomen in het vrijwillig kader. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] verlengen tot 28 november 2026.
6.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] noodzakelijk is, in het belang van de verzorging en opvoeding. Op dit moment verblijven de kinderen in pleeggezinnen en ontwikkelen zij zich daar goed. Zij krijgen daar stabiliteit, rust en structuur geboden. Het is in hun belang dat deze situatie wordt gecontinueerd. Een thuisplaatsing bij de ouders is op dit moment niet aan de orde, omdat er nog geen zicht is op de thuissituatie van de ouders, hun opvoedvaardigheden en het toekomstperspectief van de kinderen. Het is onduidelijk of de ouders in hun huidige woning kunnen blijven wonen. Zeker als de ouders een toekomst in Nederland voor ogen hebben, is het niet alleen in het belang van de kinderen, maar ook in hun eigen belang dat zij de Nederlandse taal leren. Op dit moment is sprake van een taalbarrière, waardoor de ouders niet in staat zijn om zonder tussenkomst van [voornaam minderjarige 1] of een tolk met [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] te communiceren. De GI dient in de komende periode het perspectief van de kinderen te bepalen en te onderzoeken wat nodig is voor een eventuele thuisplaatsing bij de ouders. Daarvoor dienen duidelijke doelstellingen aan de ouders kenbaar te worden gemaakt. Het is zorgelijk dat ter zitting is gebleken dat beide ouders meer belang lijken te hechten aan een thuisplaatsing van hun zoon dan van hun dochters. De kinderrechter hoopt dat zij voor alle kinderen het beste voor ogen hebben en niet alleen voor [voornaam minderjarige 3] . Gelet op het voorgaande moeten er in de komende periode nog veel stappen worden gezet. Om die reden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] verlengen tot 28 november 2026.
6.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] tot 28 november 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 november 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Zeeuw als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.