Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De zaak in het kort
primairdat Stedin wordt geboden het gunningsvoornemen in te trekken, met verplichting tot een heraanbesteding voor zover Stedin de Opdracht nog wil gunnen. D&B vordert
subsidiairdat Stedin wordt geboden om verificatie toe te passen overeenkomstig de aanbestedingsvoorwaarden en een herbeoordeling van de inschrijvingen te laten uitvoeren door een onafhankelijke nieuwe beoordelingscommissie. Trigion heeft gevorderd om in de procedure tussen D&B en Stedin te mogen tussenkomen, althans zich daarin te mogen voegen aan de zijde van Stedin. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen en zij wijst de vorderingen van D&B af. Dit wordt hierna uitgelegd.
2.De procedure
- de dagvaarding van 7 november 2025, met bijlagen 0 tot en met 9;
- de akte overlegging nadere productie van D&B, met bijlagen 10 en 11;
- de conclusie van antwoord, met bijlagen 001A tot en met 002;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) van Trigion;
- de mondelinge behandeling op 25 maart 2026;
- de pleitnota van mr. Britsemmer;
- de pleitnota van mr. Van Essen;
- de pleitnota van mr. Van den Berg.
3.De feiten
4.De beoordeling
Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht”. Stedin geeft hier in de brief van 3 maart 2026 een nadere toelichting op, door – met voorbeelden – uit te leggen dat de onderbouwing van D&B op punten enkel gericht is op het operationele deel (de hosts) en niet op het servicemanagement, en dat “
Stedin graag [had] teruggezien hoe [de] mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden”. Verder benoemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) benoemt. In de brief van 3 maart 2026 licht Stedin nader toe waarom zij dit wel van D&B had verwacht én mocht verwachten om van het judicium goed naar het judicium uitstekend te kunnen komen. Van een nieuw argument is geen sprake. Ook ten aanzien van subcriteria K3 en K4 is geen sprake van nieuwe argumenten. Stedin heeft in haar brief van 3 maart 2026 enkel nader toegelicht waarom, onder meer, de rol van de regievoerder van Stedin onvoldoende terugkomt en de rapportagewijze uitgebreider omschreven had moeten worden om uitstekend te kunnen scoren. Zo’n nadere toelichting is niet in strijd met het arrest KPN/Staat.
een hypothetisch risico en mogelijk niet het belangrijkste risico buiten de invloedsfeer” van D&B is, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Aan D&B kan worden toegegeven dat deze opmerking niet in het gunningsvoornemen staat, en dus in zoverre nieuw is, en dat deze opmerking bovendien strijdig is met het door Stedin zelf geformuleerde uitgangspunt dat – geparafraseerd weergegeven – iedere inschrijver er in haar inschrijving vanuit moet gaan dat zij niet de huidige partner van Stedin is. De voorzieningenrechter kwalificeert deze opmerking echter niet als een nieuw argument om de inschrijving van D&B op subcriterium K4 als ‘goed’ te waarderen, maar als een onhandig geformuleerde aanvulling/opmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4 (zie hiervoor ook overweging 4.26. hierna).
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
5.De beslissing
3349 / 106