Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4272

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ROT 24/10673
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 2.7 WhtArt. 2.14h WhtArt. 3.13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering compensatie private schuld in kinderopvangtoeslagaffaire bevestigd

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, vordert compensatie van een private schuld aan Santander die zij heeft afgelost. De minister weigert deze compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden van opeisbaarheid en betalingsachterstand tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.

De rechtbank stelt vast dat eiseres gedurende de relevante periode maandelijks het termijnbedrag zonder onderbreking heeft voldaan en dat geen betalingsachterstanden of opeisbaarstelling van de hoofdsom is gebleken. De wettelijke regeling is dwingend en laat geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, wat hier niet het geval is.

De rechtbank concludeert dat de schuld niet voor vergoeding in aanmerking komt en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet terugbetaald. De uitspraak is gedaan door rechter A.J. van Spengen en griffier L.A. van der Velden op 15 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van compensatie van haar private schuld wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10673

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en

de minister van Financiën, Programmadirecteur Schulden, de minister

(gemachtigde: mr. K. Bingöl).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om de private schuld van eiseres te compenseren. Eiseres is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de schuld van eiseres niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 april 2024 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) geweigerd de schuld van eiseres terug te betalen.
2.1.
Met het besluit van 7 november 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij het niet nodig vinden om op zitting te verschijnen. De rechtbank heeft de zaak daarom niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders onterecht stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen ten onrechte teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van de Belastingdienst/Toeslagen in die tijd langdurig in een onmogelijke positie, in grote financiële problemen en in grote onzekerheid gebracht. Zij hebben financiële schade en zijn aangetast in hun rechtsgevoel, omdat zij zijn bestempeld als fraudeur. Het kabinet heeft hiervoor excuses aangeboden en is een hersteloperatie gestart.
3.1.
Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen. De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden (het Besluit), dat gold vanaf
29 oktober 2021. Op 2 november 2022 is deze regeling opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
3.2.
Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) schuldenlijsten verstrekt. Bij het primaire besluit is geweigerd om de door eiseres reeds betaalde schuld aan Santander van € 8.231,16 terug te betalen. De schuld aan Santander wordt niet terugbetaald op grond van code 4. Deze code houdt in:
‘Dit bedrag is een financieel product van bijvoorbeeld een bank. Wij betalen alleen het deel van uw betalingsachterstand af mits deze achterstand is ontstaan tussen
1 januari 2006 en 1 juni 2021.’
3.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering om de schuld terug te betalen. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd. Daarbij heeft de minister overwogen dat er geen sprake is geweest van een betalingsachterstand in de periode van
1 maart 2019 tot en met februari 2023, waardoor er geen betalingsachterstanden zijn geweest die voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden. De hoofdsom van de schuld is ook niet opeisbaar geworden. Daardoor voldoet de schuld niet aan artikel 4.1 lid 2 onderdeel b en artikel 4.1 lid 4 onderdeel b van de Wht.
Standpunt eiseres
4. In beroep voert eiseres aan dat zij de lening is aangegaan, omdat zij in ernstige financiële problemen zat door de toeslagenaffaire. Als zij geen problemen had gehad met de belastingdienst zou zij de lening nooit zijn aangegaan. Eiseres stelt dat bij de uitleg van onduidelijkheden van de wetgeving uit dient te worden gegaan van het evenredigheidsbeginsel.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het bestreden besluit
6. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de weigering van het betalen van de schuld van eiseres terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De minister neemt op aanvraag de betaalde geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht voor zover de afgeloste geldschuld voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was. [2] De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [3] De resterende hoofdsommen van leningen worden niet overgenomen, tenzij deze vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. [4]
8. De schuld van eiseres aan Santander betreft een krediet dat een financieel product is. Uit de stukken is niet gebleken dat bij dit krediet een achterstand is ontstaan. Zo is gebleken dat in de periode van 1 maart 2019 tot 1 juni 2021 het termijnbedrag van € 93,60 iedere maand zonder onderbreking bij eiseres afgeschreven. Eiseres heeft dit ook niet betwist. Daarnaast heeft eiseres geen stukken ingebracht waaruit volgt dat zij in gebreke is gesteld of dat de hoofdsom van het krediet bij haar is opgeëist door de schuldeiser. De schuld kan daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.
9. Het is begrijpelijk dat eiseres dit niet als rechtvaardig ervaart, nu zij hard heeft gewerkt om aan haar betalingsverplichtingen jegens de schuldeiser te voldoen. Had zij dit niet gedaan, dan zou de schuld mogelijk wél voor overname in aanmerking zijn gekomen. De voorwaarden zijn echter neergelegd in een bepaling die dwingend is geformuleerd en is opgenomen in een wet in formele zin. Dit betekent dat de rechtbank het vereiste van opeisbaarheid, zoals vastgelegd in artikel 4.1, tweede en vierde lid onder b van de Wht, niet aan het evenredigheidsbeginsel of aan andere algemene rechtsbeginselen mag toetsen. Dit kan anders zijn als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever bij het opstellen van de regels geen rekening heeft gehouden. De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden zich hier niet voordoen. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden niet is bedoeld om onrecht in het verleden te herstellen, maar om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start, door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Doordat alleen de opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. Dit betekent dat het mogelijk is dat gedupeerde ouders na de hersteloperatie met schulden achterblijven. [5]
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schulden van eiseres op grond van artikel 4.1, tweede en vierde lid, van de Wht niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) neemt verweerder een schuld over als deze:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden; en
c. niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.
Op grond van artikel 4.1, vierde lid van de Wht worden geldschulden en kosten overgenomen, die zijn:
a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;
d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming;
e. en geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend; of
f. een geldschuld die al is overgenomen van een aanvrager of diens partner of van een ex-partner.
In artikel 4.3, eerste lid, van de Wht is bepaald:
Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
onderdeel a of b, heeft afgelost aan opeisbare geldschulden en kosten, met een maximum van het bedrag dat hij ontvangen heeft op grond van een herstelmaatregel. Artikel 3.13, derde lid, is van toepassing.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.
3.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
4.Artikel 4.1, vierde lid, onder b van de Wht.
5.Uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045.