3.3.Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering om de schuld terug te betalen. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd. Daarbij heeft de minister overwogen dat er geen sprake is geweest van een betalingsachterstand in de periode van
1 maart 2019 tot en met februari 2023, waardoor er geen betalingsachterstanden zijn geweest die voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden. De hoofdsom van de schuld is ook niet opeisbaar geworden. Daardoor voldoet de schuld niet aan artikel 4.1 lid 2 onderdeel b en artikel 4.1 lid 4 onderdeel b van de Wht.
4. In beroep voert eiseres aan dat zij de lening is aangegaan, omdat zij in ernstige financiële problemen zat door de toeslagenaffaire. Als zij geen problemen had gehad met de belastingdienst zou zij de lening nooit zijn aangegaan. Eiseres stelt dat bij de uitleg van onduidelijkheden van de wetgeving uit dient te worden gegaan van het evenredigheidsbeginsel.
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het bestreden besluit
6. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de weigering van het betalen van de schuld van eiseres terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De minister neemt op aanvraag de betaalde geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht voor zover de afgeloste geldschuld voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.De resterende hoofdsommen van leningen worden niet overgenomen, tenzij deze vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
8. De schuld van eiseres aan Santander betreft een krediet dat een financieel product is. Uit de stukken is niet gebleken dat bij dit krediet een achterstand is ontstaan. Zo is gebleken dat in de periode van 1 maart 2019 tot 1 juni 2021 het termijnbedrag van € 93,60 iedere maand zonder onderbreking bij eiseres afgeschreven. Eiseres heeft dit ook niet betwist. Daarnaast heeft eiseres geen stukken ingebracht waaruit volgt dat zij in gebreke is gesteld of dat de hoofdsom van het krediet bij haar is opgeëist door de schuldeiser. De schuld kan daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.
9. Het is begrijpelijk dat eiseres dit niet als rechtvaardig ervaart, nu zij hard heeft gewerkt om aan haar betalingsverplichtingen jegens de schuldeiser te voldoen. Had zij dit niet gedaan, dan zou de schuld mogelijk wél voor overname in aanmerking zijn gekomen. De voorwaarden zijn echter neergelegd in een bepaling die dwingend is geformuleerd en is opgenomen in een wet in formele zin. Dit betekent dat de rechtbank het vereiste van opeisbaarheid, zoals vastgelegd in artikel 4.1, tweede en vierde lid onder b van de Wht, niet aan het evenredigheidsbeginsel of aan andere algemene rechtsbeginselen mag toetsen. Dit kan anders zijn als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever bij het opstellen van de regels geen rekening heeft gehouden. De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden zich hier niet voordoen. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden niet is bedoeld om onrecht in het verleden te herstellen, maar om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start, door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Doordat alleen de opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. Dit betekent dat het mogelijk is dat gedupeerde ouders na de hersteloperatie met schulden achterblijven.
10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schulden van eiseres op grond van artikel 4.1, tweede en vierde lid, van de Wht niet voor vergoeding in aanmerking komen.