Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4274

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/10/715970 / JE RK 26-435
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • L.L.H. Roebroek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen na verbeterde situatie

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen voor de duur van een jaar, waarvan zes maanden aan te houden. De kinderen wonen bij hun moeder en haar moeder, na eerdere problemen met huiselijk geweld en gedragsproblemen bij de kinderen.

De moeder heeft de stiefvader verlaten, gebruikt geen alcohol meer en volgt therapieën. De samenwerking tussen de ouders is verbeterd en zij onderhouden goed contact over de opvoeding. De kinderen vertonen hechting- en trauma-gerelateerde signalen, waarvoor hulpverlening is aangevraagd maar nog niet gestart. De moeder werkt mee aan hulpverlening en wil een veilig leven opbouwen.

De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling niet langer aanwezig zijn. De ouders accepteren voldoende de noodzakelijke zorg en kunnen zelfstandig de bedreigde ontwikkeling van de kinderen afwenden. De verlenging wordt daarom afgewezen. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens verbeterde situatie en voldoende zorg door ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715970 / JE RK 26-435
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. Y.M. Schrevelius, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 5 maart 2026, ontvangen op 5 maart 2026;
  • de brief van de vader en [naam 1] van 16 maart 2026, ontvangen op
  • het ongedateerde bericht met bijlage van mr. Y.M. Schrevelius, ontvangen op
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en mr. M. Nentjes, die heeft waargenomen voor mr. Y.M. Schrevelius;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 2].
De vader is met bericht van afwezigheid niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen met de moeder bij oma moederszijde en haar partner.
2.3.
Bij beschikking van 22 juli 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 22 juli 2025 tot 22 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek verduidelijkt in die zin dat verzocht wordt om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar, waarvan zes maanden aan te houden. Dit verzoek is als volgt nader toegelicht.
Sinds oktober 2025 is een jeugdbeschermer bij het gezin betrokken. De samenwerking tussen de ouders is verbeterd. Er is geen sprake meer geweest van huiselijk geweld tussen de stiefvader en de moeder.
[minderjarige 1] heeft last van driftbuien. Op school zijn bij de kinderen hechting- en trauma-gerelateerde signalen te zien. Bij Yulius is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] Psychomotorische Therapie (PMT) en traumabehandeling aangevraagd. Het is onduidelijk wanneer PMT start. De opvoedondersteuning vanuit Sterk in Regie van Enver is nog niet gestart. Voor de moeder en de stiefvader is Parallel Solo Ouderschap aangevraagd. Het is onduidelijk of Let op de Kleintjes is aangevraagd voor [minderjarige 1].
De komende periode wil de GI gebruiken om de kwetsbare en complexe situatie rond de stiefvader en het verloop van de hulpverlening te volgen. De vaste jeugdbeschermer blijft in ieder geval tot 8 mei 2026 betrokken.
4.2.
Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting verzocht om het verzoek af te wijzen. Ter onderbouwing van dit standpunt is door en namens de moeder het volgende aangevoerd.
In mei 2025 heeft de moeder de stiefvader verlaten. Sinds juli 2025 tot heden gebruikt de moeder geen alcohol meer. Ook heeft de moeder hulpverlening. Zij volgt EMDR-therapie (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) en gaat schematherapie volgen. De moeder heeft urgentie voor een zelfstandige woning gekregen en wil met de kinderen een veilig leven opbouwen en een voorbeeld voor hen zijn. De moeder heeft een goed contact met de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De ouders hebben samen afspraken gemaakt over de omgang tussen de vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. School bestrijdt dat bij de GI is aangegeven dat het gedrag van [minderjarige 1] uit gedragsproblematiek voortvloeit.
Bij de jeugdbeschermer heeft de moeder haar zorgen geuit over het alcoholgebruik en het gedrag van de stiefvader. Met deze zorgen heeft de jeugdbeschermer echter niets gedaan. Wel moet de moeder bij de jeugdbeschermer verantwoording afleggen over de door haar geuite zorgen en waarom zij contact met Yulius heeft opgenomen met de vraag waarom de hulpverlening bij Yulius nog niet is gestart. De moeder heeft geen vertrouwen in de GI. Er is immers na negen maanden ondertoezichtstelling nog geen hulpverlening van de grond gekomen. De ondertoezichtstelling werkt contraproductief.
De moeder is bereid om alle hulpverlening die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben aan te vragen en mee te werken aan de hulpverlening die al is aangevraagd door de GI. De moeder werkt mee in het kader van de ondertoezichtstelling van haar andere twee kinderen. Een ondertoezichtstelling is er niet voor bedoeld om de situatie voor een paar maanden te volgen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling, zoals gesteld in artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, niet meer aanwezig zijn. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat
de ouders die het gezag uitoefenen, de zorg die noodzakelijk is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen, voldoende accepteren.
De moeder werkt actief aan haar persoonlijke problematiek en verblijft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdelijk bij haar moeder totdat zij zelfstandige woonruimte heeft. De moeder heeft geen relatie meer met de stiefvader. De samenwerking tussen de moeder en de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verloopt positief. De ouders communiceren op een passende manier met elkaar en tonen betrokkenheid bij de opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven drie weekenden per maand bij de vader en zijn partner. Als gevolg van het huiselijk geweld tussen de stiefvader en de moeder laten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hechting- en trauma-gerelateerde signalen zien. De moeder is bereid om daarvoor hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te accepteren en mee te werken aan de door de GI voor hen aangevraagde noodzakelijke hulpverlening.
5.3.
Uit het verzoek en de toelichting van de GI ter zitting is duidelijk geworden dat door de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling is verzocht omdat volledige casusregie heeft ontbroken, omdat pas medio oktober 2025 een jeugdbeschermer betrokken is geraakt, en het gezien de nog kwetsbare situatie van belang wordt geacht om het verloop van de hulpverlening en de problematiek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te volgen. Gelet op al het voorgaande is de kinderrechter echter van oordeel dat de moeder in samenwerking met de vader zelfstandig in staat is om met de noodzakelijk geachte hulpverlening de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te wenden.
5.4.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door
mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 8 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.