Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de weigering van de minister van Financiën om de private schuld van eiser, een gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, over te nemen. Eiser had een schuld van €16.963,23 aan Allianz Incasso, die hij wilde laten overnemen in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De minister weigerde dit op grond van artikel 4.1, vierde lid, sub c, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat de schuld voortvloeit uit een onrechtmatige daad.
De rechtbank oordeelt dat eiser onder invloed van alcohol een voertuig heeft bestuurd en schade heeft veroorzaakt aan twee geparkeerde auto's, wat strafbaar is en onrechtmatig handelen oplevert. Dit is bevestigd door een vonnis van de kantonrechter. De persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder stress vanwege mogelijke kinderbeschermingsmaatregelen, vormen geen rechtvaardigingsgrond. Er is een direct causaal verband tussen het onrechtmatige handelen en de schade.
Eiser voerde ook aan dat sprake was van psychische overmacht en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De rechtbank verwerpt deze verweren omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de afwijzing van de schuldovername tot een schrijnende financiële nood leidt. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is niet-ontvankelijk omdat het bestreden besluit inmiddels is genomen.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, veroordeelt de minister tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten, en wijst het beroep tegen het niet tijdig beslissen af.