Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4276

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ROT 24/9124
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 6:162 BWArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overname private schuld wegens onrechtmatige daad in toeslagenaffaire

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de weigering van de minister van Financiën om de private schuld van eiser, een gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, over te nemen. Eiser had een schuld van €16.963,23 aan Allianz Incasso, die hij wilde laten overnemen in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De minister weigerde dit op grond van artikel 4.1, vierde lid, sub c, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat de schuld voortvloeit uit een onrechtmatige daad.

De rechtbank oordeelt dat eiser onder invloed van alcohol een voertuig heeft bestuurd en schade heeft veroorzaakt aan twee geparkeerde auto's, wat strafbaar is en onrechtmatig handelen oplevert. Dit is bevestigd door een vonnis van de kantonrechter. De persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder stress vanwege mogelijke kinderbeschermingsmaatregelen, vormen geen rechtvaardigingsgrond. Er is een direct causaal verband tussen het onrechtmatige handelen en de schade.

Eiser voerde ook aan dat sprake was van psychische overmacht en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De rechtbank verwerpt deze verweren omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de afwijzing van de schuldovername tot een schrijnende financiële nood leidt. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is niet-ontvankelijk omdat het bestreden besluit inmiddels is genomen.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, veroordeelt de minister tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten, en wijst het beroep tegen het niet tijdig beslissen af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de weigering van schuldovername ongegrond wegens onrechtmatige daad en wijst het beroep tegen niet tijdig beslissen af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Rotterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J. de Back),
en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: mr. C. Kurt-Korkmaz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om de private schuld van eiser over te nemen. Eiser is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de schuld van eiser niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 14 mei 2024 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) geweigerd de schuld van eiser over te nemen.
2.1.
Eiser heeft op 21 mei 2024 bezwaar ingediend tegen het primaire besluit.
2.2.
Eiser heeft de minister op 18 september 2024 in gebreke gesteld wegens overschrijding van de beslistermijn op dit bezwaar.
2.3.
Eiser heeft op 2 oktober 2024 beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De minister heeft hangende het beroep het besluit van 31 oktober 2024 (het bestreden besluit) genomen. In dit besluit, op het bezwaar van eiser, heeft de minister het primaire besluit gehandhaafd. De minister heeft in het bestreden besluit tevens een dwangsombeslissing genomen, waarbij aan eiser wegens de overschrijding van de beslistermijn in bezwaar een dwangsom van € 857,- is toegekend.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister, vergezeld door mr. S. Salhi.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders onterecht stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen ten onrechte teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van de Belastingdienst/Toeslagen in die tijd langdurig in een onmogelijke positie, in grote financiële problemen en in grote onzekerheid gebracht. Zij hebben financiële schade en zijn aangetast in hun rechtsgevoel, omdat zij zijn bestempeld als fraudeur. Het kabinet heeft hiervoor excuses aangeboden en is een hersteloperatie gestart.
3.1.
Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen. De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden (het Besluit), dat gold vanaf
29 oktober 2021. Op 2 november 2022 is deze regeling opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
3.2.
Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) schuldenlijsten verstrekt. Bij het primaire besluit is geweigerd om de schuld aan GGN Incasso (met referentie 30649545 Allianz Benelux N.V.) van € 16.963,23 over te nemen. De schuld wordt niet overgenomen op grond van code 19. Deze code houdt in:
‘Deze schuld is ontstaan door een onrechtmatige daad. We betalen deze schuld niet af.’
3.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering om de schuld over te nemen. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd. Daarbij heeft de minister overwogen dat het besturen van een auto onder invloed van alcohol een strafbaar feit is op grond van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en in strijd is met de zorgvuldigheid die men in het verkeer in acht moet nemen. De gedraging is daarom onrechtmatig. Verder blijkt de onrechtmatigheid uit de dagvaarding van 12 september 2023 en het vonnis van de kantonrechter van 27 september 2024 waarin eiser is veroordeeld tot betaling van de vordering van € 16.963,23 aan Allianz en van de proceskosten. De onrechtmatigheid wordt niet weggenomen door de omstandigheid dat eiser in stressvolle omstandigheden verkeerde. Voor de keuze om achter het stuur te stappen na het nuttigen van alcohol blijft eiser verantwoordelijk. Aangezien het rijden onder invloed heeft geleid tot het ongeval en de daarbij ontstane schade, is er een direct causaal verband tussen het gedrag van eiser en de geleden schade. Volgens de minister is daarom sprake van een schuld welke aantoonbaar verwijtbaar is aan eiser.
Standpunt eiser
4. In beroep voert eiser aan dat de grondslag van de vordering van Allianz een contractuele verplichting is, namelijk het verhalen van de schade op eiser door de verzekeraar. De minister gaat dan ook in zijn beoordeling ten onrechte uit van het feitelijke handelen van eiser. Hij stelt dat geen sprake is van onrechtmatig handelen en dat de vereiste toerekenbaarheid ontbreekt. Er was bij eiser sprake van psychische overmacht. Hij stond onder grote druk, omdat hij vlak voor het ongeval had vernomen dat de Raad voor de Kinderbescherming of Jeugdzorg kinderbeschermingsmaatregelen zouden gaan verzoeken ten aanzien van zijn dochter. Volgens eiser is tenslotte de hardheidsclausule ten onrechte niet toegepast.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroep tegen het niet tijdig beslissen
6. Nu de minister op 31 oktober 2024 een besluit op bezwaar heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het primaire besluit. De rechtbank zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep heeft op grond van artikel 6:20 derde Pro lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
Beoordeling van het bestreden besluit
6. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de weigering van het betalen van de schuld van eiser terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
6.1.
Artikel 4.1, vierde lid, sub c, van de Wht bepaalt dat geldschulden en kosten niet worden overgenomen als een geldschuld voortvloeit uit een onrechtmatige daad. Blijkens de Memorie van Toelichting bij dit artikel ziet dit op een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). [1]
Er kan alleen sprake zijn van een onrechtmatige daad, als deze daad de schuldenaar is toe te rekenen. Dit vloeit voort uit het eerste lid van artikel 6:162 BW Pro.
6.2.
De rechtbank beoordeelt of de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de geldschuld voortvloeit uit onrechtmatige daad. Daarbij baseert de rechtbank zich op het gehele feitencomplex dat tot het ontstaan van de schuld heeft geleid.
6.3.
Uit het proces-verbaal van de politie van 26 september 2020 volgt dat eiser onder invloed van alcohol een voertuig heeft bestuurd en schade heeft veroorzaakt aan twee geparkeerde auto’s. Dit is in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet Pro (WVW) 1994 en met de zorgvuldigheid die in het verkeer betracht moet worden, zoals beschreven in artikel 5 WVW Pro 1994. Dit is voor Allianz aanleiding geweest de ontstane schade op eiser te verhalen. Bij vonnis van de kantonrechter van 27 september 2024 is eiser veroordeeld de vordering vermeerderd met proceskosten aan Allianz te betalen.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de gedraging van eiser, het onder invloed van alcohol schade veroorzaken aan andere voertuigen, onrechtmatig is. Rijden onder invloed is strafbaar, nu het een gevaar vormt voor andere weggebruikers en de algemene veiligheid op de weg schaadt, en dit gevaar heeft zich in dit geval ook verwezenlijkt. Door het verkeersongeval is materiële schade aan twee andere voertuigen ontstaan, die Allianz heeft moeten vergoeden. Er bestaat daarmee een direct causaal verband tussen het strafbare handelen en de geleden schade. De door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden omtrent zijn dochter vormen naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardigingsgrond en nemen de verwijtbaarheid van zijn handelen niet weg. Voor toerekenbaarheid is niet
vereist dat sprake is van opzet, maar dat het handelen aan eiser kan worden verweten of krachtens verkeersopvattingen voor zijn rekening komt (artikel 6:162, derde lid, van het BW). Dat is hier het geval. Ook in het vonnis van de kantonrechter is overwogen dat de gestelde omstandigheden, hoe spijtig ook, geen reden zijn om de vordering af te wijzen.
6.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de schuld van eiser voortvloeit uit een onrechtmatige daad. Op grond van artikel 4.1, vierde lid, onderdeel c, van de Wht komen deze schulden niet in aanmerking voor overname.
6.6.
Eiser heeft ook een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Artikel 9.1, tweede lid, van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 van de Wht kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarvan is sprake als bijzondere omstandigheden tot een schrijnende situatie leiden. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 4.1 van de Wht [2] beschermt deze bepaling het belang van gedupeerde ouders bij een kans op een nieuwe start, waarbij de ontvangen compensatie zoveel mogelijk moet worden ontzien.
6.7.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt dat voor toepassing van de hardheidsclausule sprake moet zijn van serieuze en structurele financiële nood die samenhangt met (de gevolgen van) een weigering van de schuldovername [3] . De rechtbank is van oordeel dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat de afwijzing van het verzoek tot schuldovername een zodanig financiële nood veroorzaakt dat hij geen nieuwe start kan maken, zoals bedoeld in de Wht. Het beroep op de hardheidsclausule kan daarom niet slagen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
7.1.
Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Omdat ten tijde van het instellen van het beroep van eiser nog sprake was van niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden en veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het genoemde Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen van licht gewicht is, omdat dit beroep alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- bepaalt dat de minister het betaalde van € 51,- aan eiser vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) neemt verweerder een schuld over als deze:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden; en
c. niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.
Uit artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wht volgt dat schulden die voortvloeien uit een onrechtmatige daad, niet kunnen worden overgenomen. Onder onrechtmatige daad wordt verstaan een gedraging als bedoeld in artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
In artikel 6:162 van Pro het BW is bepaald:
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander
dientengevolge lijdt, te vergoeden;
2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht
en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen
volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt,
een en ander behoudens de aanwezigheid van een
rechtvaardigingsgrond;
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend,
indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens
de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening
komt.
In artikel 9.1, tweede lid, van de Wht met de titel ‘hardheidsclausules’ is bepaald:
Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
[…].

Voetnoten

1.Tweede Kamer, 2021-2022, 36151, nr. 3, p. 130.
2.Tweede Kamer, 2021-2022, 36151, nr. 3, p. 46.
3.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:628.